Grondwettelijk Hof – afstamming vaderszijde – biologische vader betwist vaderschap van de wettige vader – vervaltermijn van één jaar - kind jonger dan twaalf jaar heeft zijn wettige vader nooit gekend – afstamming stemt niet overeen met de werk
Rechtspraak 30/09/2016

GwH 2 juni 2016, arrestnr. 87/2016, rolnr. 6202.

​In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 318 BW, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen.

 « Schendt artikel 318 BW, in zoverre het bepaalt dat de vordering van de man die het vaderschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is, de artikelen 10, 11 en 22bis van de G.W., en artikel 8 EVRM, doordat het de niet binnen de wettelijke termijn ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap als absolute grond van niet-ontvankelijkheid instelt, zonder dat de rechter bij wie een dergelijke vordering aanhangig is gemaakt, de mogelijkheid heeft om te beoordelen of de biologische waarheid, rekening houdend met de aanwezige belangen (en in het bijzonder het hogere en primordiale belang van het kind) en met het gedrag van de partijen, niet moet samenvallen met de door het betrokken kind beleefde socioaffectieve werkelijkheid. Dit in een casus waarin nooit enige band, welke dan ook, tussen het kind en zijn wettelijke vader heeft bestaan, noch thans bestaat.

De feiten

De Rechtbank van eerste aanleg te Namen diende zich uit te spreken over een zaak waarin de moeder van een kind geboren in 2008, de wettige vader van dat kind, die gehuwd was met de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind, en de biologische vader van het kind tegenover elkaar stonden.

De Rechtbank wees erop dat de wettige vader van het kind nooit enig contact had met het kind en dat de moeder samenleefde met de biologische vader van het kind op het ogenblik van de geboorte. De rechtbank wees er op dat het de biologische vader was die in werkelijkheid alle prerogatieven van de wettige vader uitoefende omdat hij vrijwel exclusief instaat voor de huisvesting van het kind en ook vrijwel exclusief het ouderlijk gezag uitoefent, rekening houdend met het feit dat aan de moeder momenteel uitsluitend een omgangsrecht werd toegekend via een ontmoetingscentrum, nadat het contact tussen haar en het kind was verbroken. 

Termijn van één jaar om vordering tot betwisting vaderschap in te stellen overschreden – kind heeft zijn wettige vader nooit gekend maar draagt wel zijn naam

De biologische vader betwistte het vaderschap van de wettige vader, maar de rechtbank wees erop dat hij niet in rechte was getreden binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind was. De rechtbank merkte op dat het Grondwettelijk Hof, bij zijn arresten nrs. 16/2014 van 29 januari 2014 en 145/2014 van 9 oktober 2014,  oordeelde dat de termijn van één jaar om een vordering tot betwisting van vaderschap in te stellen, redelijk verantwoord is.

De rechtbank onderstreepte niettemin het bijzondere karakter van het thans voorliggende geval aangezien het kind zijn wettige vader nooit heeft gekend, noch enige relatie met hem heeft gehad, terwijl het zijn naam draagt en aldus een afstamming heeft die met geen enkele werkelijkheid overeenstemt en die strijdig lijkt met zijn hogere belang. De rechtbank herinnerde vervolgens aan het arrest Mikulic van het EHRM van 7 februari 2002 en aan het arrest Kroon van het EHRM dat op 27 oktober 1994 werd uitgesproken. De rechtbank van Namen stelde het Grondwettelijk Hof de bovenvermelde prejudiciële vraag, rekening houdend met de zeer bijzondere context van het dossier.

Grondwettelijk Hof - vordering tot betwisting van het vaderschap door het kind niet vóór de leeftijd van twaalf jaar – leeftijd waarop het kind onderscheidingsvermogen heeft - belang van het kind – geen schending

 Artikel 318, § 2, eerste lid, BW biedt het kind de mogelijkheid om een vordering tot betwisting van vaderschap in te stellen op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Met die bepaling waarborgt de wetgever het recht op identiteit dat, volgens het EHRM, het voorwerp moet uitmaken van een grondig onderzoek wanneer de aanwezige belangen worden vergeleken (EHRM, 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 47). Een kind dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, kan daarentegen geen vordering tot betwisting van vaderschap instellen.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juli 2006 blijkt dat de wetgever niet heeft gewild dat de vader of de moeder van een kind « het verval dat hij/zij heeft opgelopen met betrekking tot zijn eigen rechtsvordering, gewoon [zou kunnen] omzeilen door de rechtsvordering in te leiden namens het kind » (Parl. St., Senaat, 2005- 2006, nr. 3-1402/4, p. 9).

De wetgever heeft dan ook uitdrukkelijk bepaald dat de vordering van het kind niet kan worden ingesteld vóór de leeftijd van twaalf jaar. Die leeftijd wordt immers in aanmerking genomen als die waarop het kind een onderscheidingsvermogen heeft.

In zoverre zij het onderscheidingsvermogen van het kind in aanmerking neemt om het niet toe te staan een vordering tot betwisting van vaderschap in te stellen vóór de leeftijd van twaalf jaar, is de in het geding zijnde bepaling niet strijdig met artikel 22bis van de G.W., dat uitdrukkelijk preciseert dat met de mening van het kind rekening wordt gehouden « in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen ». De wetgever heeft rekening gehouden met de ernst van de handeling die erin bestaat een rechtsvordering in te stellen tegen een van zijn ouders, en met het feit dat het kind kan zijn beïnvloed door een van zijn ouders of verwanten. De wetgever wilde overigens niet dat de vordering van het kind zou worden ingesteld door een andere houder van de vordering tot betwisting - de wettige vader, de moeder of de man die het vaderschap opeist - die niet in rechte is getreden binnen de termijn die hem bij de in het geding zijnde bepaling is opgelegd, wegens het mogelijke belangenconflict tussen het kind en die houder.

Het is juist dat in deze zaak de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat aan het kind zijn recht op identiteit en de mogelijkheid om zijn belang in aanmerking te laten nemen bij de afweging, door de rechter, tijdelijk worden ontzegd.

Het belang van het kind moet evenwel de eerste overweging zijn, ook al heeft het geen absoluut karakter, omdat het kind de zwakke partij is in de familiale relatie. Die ontzegging is echter slechts tijdelijk omdat het kind een vordering tot betwisting van vaderschap zal kunnen instellen, waarbij het zal worden vertegenwoordigd door een voogd ad hoc, overeenkomstig artikel 331sexies van het Burgerlijk Wetboek.

De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron: 

  • GwH 2 juni 2016, arrestnr. 87/2016, rolnr. 6202.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be