Grondwettelijk Hof – afstamming- recht om zijn biologische oorsprong te kennen – vaststelling vaderschap - bezit van staat
Rechtspraak 14/07/2016

GwH 2 juni 2016, arrestnr. 84/2016, rolnr. 6182
GwH 3 februari 2011, arrestnr. 20/2011, 4934
GwH 7 juli 2011, arrestnr. 122/2011, rolnr. 4973

​In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 323 BW, vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het BW met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, gesteld door het Hof van Cassatie.

De feiten

R.W. en G.F. zijn gehuwd op 17 april 1937 en officieel gescheiden in 1950. N.W. is geboren op 30 september 1946, tijdens dat huwelijk. Haar ouders zijn overleden in 1955 en in 2000. Op grond van het verslag van een biologische analyse die op haar verzoek in 1992 is uitgevoerd, beweert N.W. de biologische dochter van L.D. te zijn, die enkele maanden later is overleden. In 2004 stelt zij tegen M.-J. D. - de enige erfgename van L.D. - een rechtsvordering in die ertoe strekt het vaderschap van die laatste te laten vaststellen. Bij vonnis van 18 juni 2007 oordeelt de rechtbank van eerste aanleg te Hoei dat de rechtsvordering van N.W. ontvankelijk maar ongegrond is, aangezien zij niet het bewijs levert van het bezit van staat ten aanzien van L.D.

Het Hof van Beroep te Luik, waarbij op 17 augustus 2007 hoger beroep is ingesteld door N.W., beslist bij een arrest van 30 september 2008 dat de rechtsvordering onontvankelijk is aangezien het vaderschap van R.W., dat krachtens het in artikel 315 BW bedoelde vermoeden vaststaat, wordt bevestigd door het bezit van staat.

Het Hof van Cassatie, waarbij door N.W. een voorziening in cassatie tegen dat arrest is ingesteld, beslist, aan het Hof prejudiciële vragen te stellen die het Hof bij zijn arrest nr. 122/2011 van 7 juli 2011 heeft beantwoord. Bij zijn arrest van 3 februari 2012 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het Hof van Beroep te Luik verbroken en de zaak verwezen naar het Hof van Beroep te Bergen, dat op 14 oktober 2013 een arrest heeft gewezen.

Tegen dat arrest werd eveneens een voorziening in cassatie ingesteld.

Prejudiciële vraag door het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie stelde aan het GwH de volgende prejudiciële vraag: « Schendt het vroegere artikel 323 BW -(« Wanneer het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315 of 317 niet bevestigd wordt door het bezit van staat, kan het vaderschap van een andere man dan de echtgenoot bij vonnis worden vastgesteld in de gevallen bepaald in artikel 320 ») - de artikelen 22 en 22bis van de Gw. in zoverre het, wanneer het vaderschap krachtens de artikelen 315 of 317 van hetzelfde Wetboek vaststaat, een kind verbiedt zijn biologische vader te zoeken en diens vaderschap bij vonnis te laten erkennen zonder het vaderschap van de echtgenoot van zijn moeder vooraf te hebben betwist, tenzij het zich in een van de in artikel 320 BW bedoelde gevallen van een vaag vermoeden van vaderschap bevindt ? ».

Grondwettelijk Hof 7 juli 2011, arrestnr. 122/2011, rolnr. 4973 – vroeger artikel 323 BW schendt artikel 22 GW.

Bij zijn arrest nr. 122/2011 van 7 juli 2011 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 323 BW, zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006, artikel 22 Gw. schendt. Uit de motieven van dat arrest blijkt dat dat artikel een onevenredige aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven van kinderen vormt wegens het absolute karakter van de voorwaarde met betrekking tot het bezit van staat dat tot gevolg heeft dat de wetgever in alle omstandigheden de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap heeft laten prevaleren op de biologische werkelijkheid, zonder aan de rechter de bevoegdheid te laten om rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen.

Vaststelling van het vaderschap van een andere man dan de echtgenoot van de moeder

Met deze prejudiciële vraag werd het Hof, in het kader van dezelfde zaak, verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006, met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet in zoverre het, wanneer het vaderschap krachtens de artikelen 315 of 317 van hetzelfde Wetboek vaststaat, een kind enkel in de in artikel 320 van dat Wetboek bedoelde gevallen toestaat het vaderschap van een andere man dan de echtgenoot van zijn moeder bij vonnis te laten vaststellen.

Grondwettelijk Hof 2 juni 2016, arrestnr. 84/2016, rolnr. 6182 – wetgever liet wettelijk vermoeden van vaderschap prevaleren op de biologische werkelijkheid – vroeger artikel 323 BW schendt artikel 22 Grondwet – onevenredige aantasting privéleven – geen toetsing aan artikel 22bis GW.

Het vroegere artikel 323 BW staat eraan in de weg dat een kind, van wie de afstamming van vaderszijde krachtens de wet wordt vermoed omdat het tijdens het huwelijk van zijn moeder is geboren, aan de rechter vraagt om zijn afstamming vast te stellen ten aanzien van een andere man dan de echtgenoot van zijn moeder die als zijn biologische vader wordt voorgesteld, indien het niet voldoet aan een van de voorwaarden van artikel 320 BW.

Die bepaling maakte deel uit van een uitgebreide hervorming van het afstammingsrecht die onder meer ertoe strekte rechtsgelijkheid voor alle kinderen in te voeren, met name in de vorm van de toekenning van het recht van elk kind op vaststelling van zijn afstamming (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305-1, pp. 3-4).

Hoewel de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden legitieme doelstellingen zijn waarvan de wetgever kon uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot onderzoek naar het vaderschap te verhinderen, heeft het absolute karakter van de voorwaarde zich te bevinden in één van de in artikel 320 BW bedoelde gevallen tot gevolg dat de wetgever buiten die gevallen het wettelijk vermoeden van vaderschap heeft laten prevaleren op de biologische werkelijkheid, zonder aan de rechter de bevoegdheid te laten om rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen.

Die maatregel vormt een onevenredige aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven. De in het geding zijnde bepaling is derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 Gw. (eerbiediging van het privéleven).

Het is derhalve niet nodig om de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan artikel 22bis van de Grondwet.

Artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006, schendt artikel 22 van de Grondwet.

Bezit van staat opnieuw onder grotere druk

Waar de bescherming die het ontvankelijkheidsvereiste van de afwezigheid van bezit van staat aan de bestaande afstammingsbanden bood reeds onder druk kwam te staan met de arresten van het GwH van 3 februari 2011, arrestnr. 20/2011 - (in casu oordeelde het GwH dat de regel die belet dat het vaderschap van de echtgenoot van de moeder wordt betwist in geval het kind bezit van staat heeft t.a.v. die echtgenoot (artikel 318, §1 BW) het recht op privéleven vervat in artikel 22 Gw. in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM schendt) - en van 7 juli 2011, arrestnr. 122/2011 komt het begrip “bezit van staat” door het arrest van 2 juni 2016 opnieuw onder grotere druk te staan.

Het Belgische afstammingsrecht bevat geen definitie van het begrip “bezit van staat”. Het is de rechter die steeds in concreto de aanwezigheid van bezit van staat moet nagaan. N. Massager wees erop dat het bezit van staat twee gezichten heeft, afhankelijk van het feit of het wordt aangewend als bewijsmiddel dan wel als grond tot niet-ontvankelijkheid, met respectievelijk een milde en strenge invulling door de feitenrechters. (N. MASSAGER, “La filiation” in J.P. Masson, Droit des personnes et des familles: chronique de jurisprudence 1999-2004, Brussel, Larcier 2006, 390, nr. 371).

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • GwH 2 juni 2016, arrestnr. 84/2016, rolnr. 6182
  • GwH 3 februari 2011, arrestnr. 20/2011, 4934
  • GwH 7 juli 2011, arrestnr. 122/2011, rolnr. 4973
  • A. QUIRYNEN, “Een andere (grondwetsconforme?) kijk op bezit van staat”, noot onder GwH 7 juli 2011, T. Fam. 2011/7, 154-161.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be