Grondwettelijk Hof – afstamming – betwisting van de vaderlijke erkenning - artikel 330 § 1, vierde lid BW - schending
Rechtspraak 14/07/2016

GwH 25 mei 2016, arrestnr. 77/2016, rolnr. 6209
GwH 31 mei 2011, arrestnr. 96/2011, rolnr. 4960
GwH 17 oktober 2013, arrestnr. 139/2013, rolnr. 5517
GwH 3 februari 2016, arrestnr. 18/2016, rolnr. 6120

​In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 330, § 1, vierde lid, BW, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde.

De feiten

S.B., werd geboren op 11 april 1984. Zij werd in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven als kind van haar moeder, R.B.

Op 17 juli 1987 werd het vaderschap voor S.B. erkend door H.D. en veranderde haar familienaam van B. naar D. In 2010 kwam S.D. te weten dat H.D. niet haar biologische vader is. Bij KB van 19 augustus 2011 werd haar de toestemming verleend om haar familienaam opnieuw naar B. te veranderen.

Op 6 juni 2012 leidde S.B. een procedure in tot vaststelling van het vaderschap van wijlen M.R., die op 19 mei 2012 overleed, tegen diens dochter C.R. Op 8 november 2012 leidde S.B. een procedure in tot betwisting van de erkenning van het vaderschap door H.D. Zij werd hierin door haar moeder en door H.D. bijgetreden.

In de procedure tot betwisting van de vaderlijke erkenning voerde de vrijwillig tussenkomende partij C.R., dochter van wijlen M.R., aan, met verwijzing naar artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat de vordering niet ontvankelijk was wegens laattijdigheid. De verwijzende rechter stelde vast dat S.B. bij het instellen van haar vordering op 8 november 2012 ouder was dan 22 jaar en dat zij reeds meer dan een jaar op de hoogte was van het feit dat de erkenner haar vader niet was. Om alsnog tot de tijdigheid van haar vordering te besluiten, verwees S.B. naar het arrest nr. 96/2011 van 31 mei 2011. De verwijzende rechter was evenwel van oordeel dat dit arrest, waarin artikel 318, § 2, van het BW aan de orde was, niets uit te staan heeft met artikel 330 § 1 vierde lid BW.

De verwijzende rechter was van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een bezit van staat van S.B. ten aanzien van H.D. en dat de ontvankelijkheid van haar vordering dus niet op die grond kan worden betwist.

Prejudiciële vraag door rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde– kind ouder dan 22 jaar – artikel 330, §1, vierde lid BW  – vordering tot betwisting vaderlijke erkenning – termijn van 1 jaar

Alvorens verder te oordelen, stelde de verwijzende rechter een prejudiciële vraag: « Schendt artikel 330 § 1 lid 4 B.W. de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, in zoverre het voorziet dat de vordering tot betwisting van een vaderlijke erkenning door het kind niet meer kan worden ingesteld na de leeftijd van tweeëntwintig jaar of na het jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend zijn vader niet is en dit in de hypothese dat de vaderlijke erkenning noch met de biologische noch met de socio-affectieve waarheid overeenstemt”?

De verwijzende rechter wenste te vernemen of artikel 330, § 1, vierde lid, BW bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend zijn vader niet is om een vordering tot betwisting van een vaderlijke erkenning in te stellen en zulks in de hypothese dat de vaderlijke erkenning noch met de biologische noch met de socio-affectieve waarheid overeenstemt.

Het feit dat de artikelen 318, § 2, en 330, § 1, vierde lid, BW verschillende aangelegenheden betreffen, neemt niet weg dat zij beide nauw verband houden met het recht op de identiteit van het kind. Wat de erkenning betreft, heeft het EVRM: « dat de erkenning net zoals de nietigverklaring van een afstammingsband rechtstreeks de identiteit raakt van de man of vrouw van wie de verwantschap in het geding is (zie, bijvoorbeeld, Rasmussen t. Denemarken, 28 november 1984, § 33, reeks A nr. 87, I.L.V. t. Roemenië, nr. 4901/04, § 33, 24 augustus 2010, Krušković en Canonne t. Frankrijk, nr. 22037/13, § 25, 2 juni 2015, EHRM, 14 januari 2016, Mandet t. Frankrijk, § 44”.

Parallellisme tussen procedure van betwisting van het vaderschapsvermoeden en procedure van betwisting vaderlijke erkenning

Het Hof heeft in zijn arrest nr. 139/2013 van 17 oktober 2013  gesteld dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek geen schending inhoudt van de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM, in zoverre het bepaalt dat de vordering tot betwisting van een vaderlijke erkenning ingesteld door de persoon die de afstamming opeist, moet worden ingesteld binnen één jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind) in herinnering heeft gebracht, een zo groot mogelijk parallellisme willen verwezenlijken tussen de procedure van betwisting van het vaderschapsvermoeden en die van betwisting van de vaderlijke erkenning. Zo zijn beide procedures, in de betreffende bepalingen, in vergelijkbare bewoordingen geformuleerd en wordt, voor beide procedures, in een zelfde termijn van één jaar voorzien om de vordering in te stellen.

Om soortgelijke redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 18/2016 van 3 februari 2016 met betrekking tot artikel 318, §  BW is artikel 330, § 1, vierde lid, BW  - (stelde het Hof dat artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek een schending inhoudt van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen) - niet bestaanbaar met de aangevoerde referentienormen.

Grondwettelijk Hof -  de prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord – artikel 330, § 1, vierde lid BW schendt artikelen 10, 11, 22 GW. in samenhang met artikelen 8 en 14 EVRM

artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 EVRM, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning in te stellen.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • GwH 25 mei 2016, arrestnr. 77/2016, rolnr. 6209
  • GwH 31 mei 2011, arrestnr. 96/2011, rolnr. 4960
  • GwH 17 oktober 2013, arrestnr. 139/2013, rolnr. 5517
  • GwH 3 februari 2016, arrestnr. 18/2016, rolnr. 6120


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be