Grondwettelijk Hof – afstamming – betwisting vaderlijke erkenning
Rechtspraak 01/02/2017

Grondwettelijk Hof 14 december 2016, arrest nr. 161/2016, rolnr. 6335.

Grondwettelijk Hof 3 februari 2016, arrest nr. 18/2016, rolnr. 6120.

Grondwettelijk Hof 25 mei 2016, arrest nr. 77/2016, rolnr. 6209.

​In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 330, § 1, vierde lid, BW gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers.

« Schendt artikel 330, § 1, vierde lid, van het BW de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, in zoverre het bepaalt dat de vordering tot betwisting van een vaderlijke erkenning niet meer kan worden ingesteld door het kind na de leeftijd van 22 jaar of na één jaar indien het steeds geweten heeft dat de persoon die het heeft erkend niet zijn vader is, en dit in het geval waarin de vaderlijke erkenning niet overeenstemt met de biologische waarheid en op een bezit van staat berust dat niet voortdurend is ? ».

De feiten

J.D. is geboren in 1988. Haar moeder, R.C., ontmoette P.D. in het begin van de jaren 1990 en huwde hem in 1993. P.D. erkende J.D. in 1997. Het samenleven duurde ongeveer tien jaar. De echtscheiding van het echtpaar R.C.-P.D. werd in 2006 uitgesproken.

In 2009 stelde J.D. een procedure tot naamswijziging in. Daarnaast wenste P.D. haar uit te sluiten van zijn nalatenschap. Op 15 september 2015 legden J.D., haar wettige vader P.D. en haar moeder R.C. een « gezamenlijk verzoekschrift tot betwisting van het vaderschap » neer, waarin J.D. de nietigverklaring van de akte van erkenning op grond van artikel 330 van het BW vorderde, aangezien P.D. niet haar biologische vader is.

De rechtbank was van oordeel dat het bezit van staat « onvoldoende voortdurend » is om de niet-gegrondheid van de vordering enkel op die grond te verantwoorden.

Wat betreft de termijn voor het instellen van de vordering tot betwisting, stelde de rechtbank vast dat J.D. in rechte had moeten treden alvorens de leeftijd van 22 jaar te bereiken, hetgeen in 2010 gebeurde, aangezien zij altijd heeft geweten dat P.D. niet haar biologische vader was.

De rechtbank merkte evenwel op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 96/2011 van 31 mei 2011, oordeelde dat artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM van de mens, schendt in een hypothese waarin het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder dat was vastgesteld ten aanzien van het eisende kind, niet overeenstemde met de biologische waarheid, noch met de socio-affectieve waarheid. Bijgevolg besliste de rechtbank het Hof een prejudiciële vraag te stellen.

Grondwettelijk Hof – artikel 330 §1, vierde lid BW - schending

Bij zijn arrest nr. 18/2016 van 3 februari 2016 stelde het Hof dat artikel 318, § 2, van het BW een schending inhoudt van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen.

Bij dat arrest oordeelde het Hof dat : “Wanneer een kind meerdere jaren vóór het de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt, ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, biedt artikel 318, § 2, van het BW het kind niet langer de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap te betwisten zodra het de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt. Dat kind, dat wordt verhinderd om dat vermoeden van vaderschap te betwisten, wordt eveneens verhinderd om na die leeftijd nog een vordering tot onderzoek naar het vaderschap in te stellen. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat, waartoe ook de identiteit van zijn verwekkers behoort (EHRM, 7 februari 2002, Mikulic t. Kroatië, §§ 53 en 54; 13 juli 2006, Jäggi t. Zwitserland, § 25; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49).

Volgens het EHRM moet de wetgever, wanneer hij de regels inzake afstamming vaststelt, niet alleen rekening houden met de rechten van de betrokkenen, maar ook met de aard van die rechten. Wanneer het gaat om het recht op een identiteit, waartoe het recht behoort om zijn afstamming te kennen, is een diepgaande belangenafweging noodzakelijk (EHRM, 13 juli 2006, Jäggi t. Zwitserland, § 37; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 47).

Zelfs indien een persoon zijn persoonlijkheid heeft kunnen uitbouwen zonder zekerheid te hebben over de identiteit van zijn biologische vader, moet worden aangenomen dat het belang dat een individu kan hebben om zijn afstamming te kennen niet afneemt met de jaren, wel integendeel (EHRM, 13 juli 2006, Jäggi t. Zwitserland, § 40; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, § 65). Het Europees Hof stelt eveneens vast dat uit vergelijkend onderzoek blijkt dat in een belangrijk aantal Staten de vordering van het kind om het vaderschap te doen vaststellen niet aan een termijn is gebonden en dat een tendens waarneembaar is om een grotere bescherming toe te kennen aan het kind (EHRM, 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, § 58).

In een gerechtelijke procedure tot vaststelling van de afstamming dient het recht van eenieder op vaststelling van zijn afstamming in beginsel dan ook de overhand te krijgen op het belang van de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden. Ook al bestaan er familiale banden, geconcretiseerd door het bezit van staat, of ook al hebben ze bestaan, toch doet de in het geding zijnde bepaling op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven van het kind, door de korte verjaringstermijn die aan het kind de mogelijkheid zou kunnen ontzeggen om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen.

Het feit dat de artikelen 318, § 2, en 330, § 1, vierde lid, van het BW verschillende aangelegenheden betreffen, neemt niet weg dat zij beide nauw verband houden met het recht op de identiteit van het kind.

Wat de erkenning betreft, heeft het EHRM geoordeeld ‘ dat de erkenning net zoals de nietigverklaring van een afstammingsband rechtstreeks de identiteit raakt van de man of vrouw van wie de verwantschap in het geding is (cfr. Rasmussen t. Denemarken, 28 november 1984, § 33, I.L.V. t. Roemenië, nr. 4901/04, § 33, 24 augustus 2010, Krušković, § 18, en Canonne t. Frankrijk , nr. 22037/13, § 25, 2 juni 2015) ’ (EHRM, 14 januari 2016, Mandet t. Frankrijk, § 44). Bovendien heeft de wetgever, zoals het Hof in zijn voormeld arrest nr. 139/2013 in herinnering heeft gebracht, een zo groot mogelijk parallellisme willen verwezenlijken tussen de procedure van betwisting van het vaderschapsvermoeden en die van betwisting van de vaderlijke erkenning. Zo zijn beide procedures, in de betreffende bepalingen, in vergelijkbare bewoordingen geformuleerd en wordt, voor beide procedures, in een zelfde termijn van één jaar voorzien om de vordering in te stellen. Om soortgelijke redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 18/2016 met betrekking tot artikel 318, § 2, van het BW zijn vermeld, is artikel 330, § 1, vierde lid, BW, niet bestaanbaar met de aangevoerde referentienormen ».

Bij het voormelde arrest nr. 77/2016 stelde het GwH dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het BW de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, schond in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn werd opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning in te stellen.

Om dezelfde redenen werd deze prejudiciële vraag door het GwH bevestigend beantwoord.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter ad interim Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Grondwettelijk Hof 14 december 2016, arrest nr. 161/2016, rolnr. 6335.
  • Grondwettelijk Hof 3 februari 2016, arrest nr. 18/2016, rolnr. 6120.
  • Grondwettelijk Hof 25 mei 2016, arrest nr. 77/2016, rolnr. 6209.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be