Gewone adoptie - hoger belang van de geadopteerde - art. 8 EVRM
Rechtspraak 06/09/2013

Hof van Cassatie 29 september 2011

​Een kind betrokken in een adoptieprocedure kan indien de kandidaat die het kind wil adopteren tijdens de procedure overlijdt, de procedure laten verder zetten zelfs indien de afstammelingen van de geadopteerde het daar niet meer eens zijn. Het hoger belang van het geadopteerde kind wordt daarbij als primordiaal aanzien. Maar wat met de vermogensrechtelijke implicaties voor de erfgenamen ? Kunnen zij hier tegenin gaan?

DE FEITEN

Na neerlegging van een verzoekschrift tot adoptie, maar vóór het adoptievonnis wordt geveld, op een ogenblik dat het te adopteren kind nog net geen 15 jaar oud is, overlijdt de kandidaat-adoptant. Van zodra het betrokken kind meerderjarig is, zet het met toepassing van art. 1231-20 Ger. W. de adoptieprocedure voort. 

Artikel  1231-20 Gerechtelijk Wetboek geeft het geadopteerde kind het recht de door de overleden adoptant begonnen rechtspleging voort te zetten, zelfs als de afstammelingen van die geadopteerde die voortzetting niet wensen.

De kinderen van de kandidaat-adoptant komen overeenkomstig art. 1231-12 Ger. W. vrijwillig tussen in de procedure om zich tegen de adoptie door hun overleden vader verder te verzetten. De jeugdrechtbank spreekt de adoptie uit, maar de kinderen zijn hier niet mee gediend en tekenen hoger beroep aan, met als grief dat de overledene niet op rechtsgeldige wijze was vertegenwoordigd. 

HOF VAN BEROEP LUIK

In een arrest van 30 juni 2010 bevestigt het Hof van Beroep te Luik het vonnis dat de gewone adoptie had uitgesproken.

HOF VAN CASSATIE

Hierop tekenen de kinderen van de kandidaat-adoptant cassatieberoep aan. Zij voeren daarbij een schending aan van art. 6, 8 en 14 Europees Verdrag voor de Rechten van de mens ( EVRM), nu de adoptie van het kind door hun tijdens de procedure overleden vader werd uitgesproken zonder dat daarbij aan hen - zijn (aanvankelijk enige) erfgenamen - de mogelijkheid werd geboden het door hun vader ingeleide geding te hervatten. Voor wat betreft het recht op eerbiediging van het privé-, gezins- en familieleen, wijst het Hof van Cassatie er op dat art. 8 EVRM moet worden uitgelegd in het licht van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). In dit arrest besluit het Hof dat" in zoverre art. 1231-20 Ger. W. het geadopteerde kind het recht geeft de door de overleden adoptant begonnen rechtspleging voort te zetten, zelfs als de afstammelingen van die adoptant die voortzetting niet wensen, voormeld artikel dat het hoger belang van het geadopteerde kind als primordiaal aanziet, art. 8 EVRM niet schendt.

Dat art. 1231-20 Ger. W. het hoger belang van het geadopteerde kind vooropstelt, is evident. Als bij gebrek aan een tweede kandidaat-adoptant het te adopteren kind de enige persoon is die de hangende procedure kan voortzetten en dat ook effecitief doet, dan moet dan wel zijn omdat de voorgenomen adoptie - toch in de ogen van het kind - zijn hoger belang dient.

ERFRECHTELIJKE IMPLICATIES LIGGEN AAN DE BASIS VAN VERZET FAMILIE VEELEER DAN SCHENDING ART. 8 EVRM

Impliciet gaven de erfgenamen overigens te kennen dat het veeleer de erfrechtelijke implicaties van de adoptie zijn dan de vermeende schending van het recht op eerbiediging van het privé-, gezins- en familieleven die hen tot demarches brachten, door meer bepaald aan te voeren dat in de voorliggende situatie de voorgenomen adoptie tussen de overleden adoptant en de geadopteerde geen affectieve en gekozen band meer kon scheppen maar enkel vermogensrechtelijke gevolgen heeft".

In de regel zullen overwegingen van zuiver materiële aard, zoals de erfrechtelijke bescherming van de kinderen van de adoptant, niet opwegen tegen het voordeel van de geadopteerde en bijgevolg de adoptie niet verhinderen.

Artikel 1231-20 Gerechtelijk Wetboek dat het geadopteerde kind het recht geeft de door de overleden adoptant begonnen rechtspleging voort te zetten, zelfs als de afstammelingen van die geadopteerde die voortzetting niet wensen, schendt dat artikel, dat het hoger belang van het geadopteerde kind als primordiaal aanziet, art. 8 EVRM niet.

Verder kan volgens het Hof van Cassatie de voorgehouden schending van art. 14 EVRM niet nader worden onderzocht, aangezien de eisers niet aangaven in welk opzicht zij het slachtoffer geweest zouden zijn van een verboden discriminatie in de uitoefening van het rechten als afstammelingen van de adoptant.

RECHTSHANDELING MET HOOGST PERSOONLIJK KARAKTER

De erfgenamen verloren allicht uit het oog dat, zelfs mocht hen de gelegenheid zijn geboden het geding te hervatten met toepassing van art. 815 ev. Ger. W. ze nog niet de door hun vader geuite wil te adopteren zonder meer hadden kunnen vervangen door hun persoonlijke (on)wil, hetgeen werd opgemerkt door advocaat-generaal Genicot in zijn conclusie bij het besproken arrest. Wie adopteert, stelt immers een rechtshandeling die, omwille van het hoogst persoonlijke karakter ervan, niet verricht kan worden dan door de betrokkene zelf.

WAT ALS DE GEADOPTEERDE OVERLIJDT?

Enkel bekritiseerbaar, los van het geannoteerde arrest, is het feit dat een gelijkaardige regeling in geval van overlijden van de geadopteerde ontbreekt. De geadopteerde dient in leven te zijn tot op het ogenblik dat de dat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Zijn overlijden terwijl de procedure hangend is, doet de procedure vervallen.

In de recente rechtsleer wordt er op gewezen dat nochtans ook in dat geval een belang kan bestaan de procedure voort te zetten.

Bron: 

  • Hof van Cassatie 29 september 2011, Tijdschrift voor Familierecht (T. Fam.) 2012/6, p. 133-138, noot A. Quirynen.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be