Familierechtbank weigert vaderlijke erkenning – belang van het kind – biologisch vaderschap niet betwist – rechterlijke controle – familierechter acht erkenning kennelijk strijdig met de belangen van het kind
Rechtspraak 30/09/2016

Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, familierechtbank, 17 maart 2016, nr. 15/1793/A.

​De feiten

Vader X diende een verzoek in bij de rechtbank om zijn minderjarige zoon Y, geboren in 2008, te erkennen en vroeg dat dit vonnis zou ingeschreven worden in de registers van de burgerlijke stand. Op grond van artikel 319 BW kan de vader, wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317 BW, het kind erkennen onder de bij artikel 329bis BW bedoelde voorwaarden.

De moeder weigerde om met de erkenning van het kind, door X, in te stemmen. In het dossier werd niet bewezen dat de genetische band ontbrak. De moeder betwistte niet dat X de biologische vader is van het kind, docht zij verzette zich wegens kennelijk strijdigheid van de erkenning met de belangen van het kind.

De vader en moeder hadden een relatie in 2007-2008, toen de moeder zwanger was verliet X haar. Hij hield voor dat de zwangerschap voor hem verborgen werd gehouden, tot hij begin 2015 vernam dat Y geboren was. Sedert maart 2015 is er contact tussen de partijen, de moeder stond contacten tussen X en Y toe.

DNA-onderzoek

De partijen lieten een minnelijk DNA-onderzoek uitvoeren, waarmee kwam vast te staan dat X wel degelijk de vader van Y is.

Rechtbank eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, familierechtbank – erkenning kennelijk strijdig met de belangen van het kind

De rechtbank stelde vast dat X ten tijde van de relatie met de moeder, gehuwd was met een andere vrouw, hij scheidde medio 2008 van deze dame. Tevens blijkt dat hij in diezelfde periode nog een relatie had met een andere vrouw R. Uit onderzoek bleek dat hij deze dame in Marokko huwde. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren.

X wachtte vervolgens zeven jaar om in het leven van Y op te duiken, en de erkenning op te eisen. Tevens heeft hij verscheidene strafrechtelijke veroordelingen opgelopen, waaronder een veroordeling voor slagen en verwondingen. De rechtbank was van oordeel op basis van het strafregister en het politioneel onderzoek dat X een bijzondere agressieve en explosieve persoonlijkheid heeft. Tevens heerst er een conflictueus ouderschap tussen X en mevrouw R. aangaande hun gemeenschappelijke kinderen waarbij er sprake is van een moeilijk lopende verblijfsregeling. Hieruit blijkt dat X zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn andere kinderen niet geheel ter harte neemt.

Gezien deze elementen achtte de rechtbank de gevraagde erkenning kennelijk strijdig met de belangen van het kind.

Door de erkenning niet toe te staan, ontzegt de rechtbank aan het kind overigens niet het recht om zijn vader te kennen zoals gewaarborgd door artikel 7.1 VRK. De vordering van de vader werd ongegrond verklaard.

Er werd geen beroep aangetekend tegen dit vonnis.

Vaderlijke erkenning en het belang van het kind

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in 2002 dat de vaderlijke erkenning in het belang van het kind kan worden geweigerd, ook al wordt het bestaan van de biologische band niet betwist (EHRM 5 november 2002, arrest Yousef t .Nederland).

Voor zover de strijdigheid met het belang van het kind ertoe zou leiden dat de afstammingsband niet kan worden gevestigd benadeelt dit volgens F. Swennen de rechten van zowel het kind als van de vader en zijn familie. Aan het kind wordt op de eerste plaats het erfrecht in de nalatenschappen van de betreffende vaderlijke lijn ontzegd, wat niet nodig is om het beoogde doel te bereiken. Bovendien wordt aan het kind definitief het recht ontzegd om door de betreffende vader te worden opgevoed (artikel 7 VRK). Verder wordt op onevenredige wijze inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van het privéleven van zowel kind en ouder. Het recht op eerbiediging van het privéleven omvat immers het recht om familiale betrekkingen te vestigen en te beleven (bv. EHRM 7 februari 2002, Mikulic t. Kroatië, § 53-54). De vermoedelijke ongeschiktheid als ouder op het ogenblik van de rechterlijke beslissing over de afstammingsband maakt die beleving volledig en definitief onmogelijk voor zowel de ouder als het kind, en daardoor voor de familie in de ouderlijke lijn (grootouders…).

Grondwettelijk Hof – artikel 329bis, §2, derde lid BW schendt artikel 22bis Grondwet

Het Grondwettelijk Hof stelde in zijn arresten nr. 101 en 102/2015 van 2 juli 2015 dat: "Door te bepalen dat de rechtbank de erkenning kan weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind, staat artikel 329bis, §2, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek slechts een marginale toetsing toe van het belang van het kind.

Dat is strijdig met de vereiste van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind om een voorrangspositie toe te kennen aan het belang van het kind bij het afwegen van belangen".

Ontzetting ouderlijk gezag

Onwenselijke ouders kunnen afdoende worden gediskwalificeerd via ingrepen op het ouderlijk gezag, op grond van artikel 373 en 374 BW dan wel het jeugdbeschermingsrecht, in het bijzonder de ontzetting uit het ouderlijk gezag.  Een erkenning van de afstamming, het toekennen van de juridische staat, zou in de gegeven omstandigheden van de zaak geen situatie doen ontstaan die het kind als dusdanig schade zou toebrengen en strijdig zou zijn met het belang van het kind. Het belang van het kind is gediend met de vaststelling van een dubbelzijdige afstammingsband. Het kind heeft het recht zijn vader te kennen, bv. moest zich in de toekomst een medisch probleem stellen.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, familierechtbank, 17 maart 2016, nr. 15/1793/A.

  • GwH 16 december 2010, T. Fam. 2011/4, 56, noot F. Swennen, "De toets aan het belang van het kind van de vaderlijke erkenning".

  • C. VERGAUWEN, "De vaststelling van een juridische afstammingsband versus de uitoefening van de rechten die daaruit voortvloeien", RABG 2013/5, 244.

  • GwH 2 juli 2015, arrest nr. 101/2015, rolnr. 6175; arrest nr. 102/2015, rolnr. 6184.

  • Dit vonnis zal geannoteerd worden door prof. dr.  G. VERSCHELDEN


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be