Belgische staat niet verplicht kinderen IS-strijdsters te repatriëren – kinderen ressorteren niet onder rechtsmacht Belgische staat – geen rechtstreekse werking (I)VRK
REA Brussel (Kg.), Nederlandstalig, 19 juli 2018, nr. 18/28/C.
Hvb Brussel, Nederlandstalig, 12 september 2018, nr. 2018/KR/45

​Vordering in kort geding

Eisende partijen zijn twee IS-weduwen die voor de rechter in kort geding vorderden dat de Belgische staat hun 6 jonge kinderen met de Belgische nationaliteit uit een Koerdisch gevangenkamp zou repatriëren. Hun echtgenoten werden veroordeeld voor lidmaatschap bij de terroristische groepering Islamitische Staat. Volgens de Belgische staat is niet bewezen dat beide mannen overleden zijn.  Ook de twee vrouwen werden begin 2018  veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar,  hun onmiddellijke aanhouding werd bevolen. De vrouwen werden in 2013 al eens met hun kinderen gerepatrieerd.

De twee moeders proberen al geruime tijd naar België terug te keren, doch de Belgische staat wenste hier niet in tussen te komen.

Volgens de advocaat van de Belgische staat zijn de kinderen geen partij in het geschil. De moeders hebben verzuimd om de Belgische staat te dagvaarden in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van de persoon en de goederen van hun minderjarige kinderen. De rechtbank stelde dat de moeders een persoonlijke en moreel belang hadden om te vorderen dat de kinderen in veiligheid zouden gebracht worden. De vordering was in die zin wel degelijk toelaatbaar.

De rechter stelde voorts dat de moeders niet aantoonden dat hun kinderen zich in een gevaarsituatie bevinden. Het enige bewijs daarover waren volgens de rechter persberichten, waarvan de inhoud niet betrouwbaar is en die worden tegengesproken door andere berichten.

Volgens de rechtbank ressorteren noch de moeders noch de kinderen onder de rechtsmacht van de Belgische Staat, zodat deze hen niet het genot kan verzekeren van de rechten en vrijheden vastgesteld in het EVRM. Een gelijkaardige redenering geldt voor art. 24 van Internationaal Pact inzake Burgerrechten en Politieke rechten.

Ook op art. 7 BUPO, dat gelijklopend met art. 7 EVRM een verbod op folteringen, onmenselijke of onterende bestraffing inhoudt, kunnen de moeders zich niet beroepen. De Belgische Staat kan hen op grond van art. 12.4 BUPO niet willekeurig beletten om zelf naar België terug te keren.

De rechter oordeelde dat de Belgische Staat op grond van het Kinderrechtenverdrag wellicht de morele plicht heeft om zich het lot van minderjarige kinderen van Syriëstrijders aan te trekken, maar deze morele plicht lijkt juridisch niet afdwingbaar te zijn bij gebrek aan rechtsmacht van de Belgische Staat in die vluchtelingenkampen. Tevens stelde de rechter dat het VRK geen rechtstreekse werking heeft, aangezien de meeste termen te algemeen en in weinig concrete termen zijn opgesteld. De moeders kunnen er geen subjectieve rechten uit putten.

De vordering was ontvankelijk doch ongegrond.


Beroep

Het hof van beroep te Brussel bevestigde op 12 september 2018  dat de Belgische staat niet verplicht is de kinderen van de IS-vrouwen te repatriëren naar België. Volgens de rechter in beroep wordt door de moeders niet aangetoond dat de Belgische staat in het kamp AL-Hol (Syrië) dan wel in het gebied waar het kamp gelegen is of waar de moeders en hun kinderen zich zouden bevinden, enige controle of gezag – al dan niet op legitieme wijze – zou uitoefenen. Bijgevolg ressorteren zij niet onder de rechtsmacht van de Belgische staat in de zin van art. 1 EVRM, art. 2, 1° BUPO & art. 2 Kinderrechtenverdrag.

Het beroep was ontvankelijk doch ongegrond.

De zaak kan wel nog ten gronde worden behandeld.

Bronnen

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be