Europees Hof van Justitie – vrij verkeer van personen – grensoverschrijdende sociale voordelen
Rechtspraak 01/02/2017

Hof van Justitie 15 december 2016 , C-401/15, C-402/15, C-403/15 Depesme en Kerrou, nr. 136/2016.

​Verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 7, lid 2, van verordening (EU), nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB 2011, L 141, 1). Deze verzoeken werden ingediend in het kader van drie gedingen, van respectievelijk N.D. en S. K., van A. K. en van M. L., tegen de minister van hoger onderwijs en onderzoek, te Luxemburg over de weigering van laatstgenoemde om voor het studiejaar 2013/2014 aan D., K. en L. studiefinanciering van de staat voor het volgen van hoger onderwijs toe te kennen.

De hoofdgedingen betroffen de voorwaarden voor de toekenning van de studiefinanciering die voor het studiejaar 2013/2014 door de Luxemburgse Staat aan niet in Luxemburg ingezeten studenten is verstrekt voor het volgen van hoger onderwijs, als voorzien in de gewijzigde wet van 22 juni 2000.

Volgens de wet wordt deze studiefinanciering aan niet in Luxemburg ingezeten studenten toegekend op voorwaarde, ten eerste, dat zij het kind zijn van een werknemer of zelfstandige, die Luxemburgs staatsburger is of staatsburger van de Europese Unie, en, ten tweede, dat deze werknemer of zelfstandige op het tijdstip van de aanvraag van de studiefinanciering gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaar in Luxemburg heeft gewerkt.

De feiten

N. D., A. K., zijn in Frankrijk wonende Franse staatsburgers, en M. L., is een in België wonende Belgische staatsburger, zij leven elk in een samengesteld gezin dat bestaat uit respectievelijk hun genetische moeder en hun stiefvader (de genetische vader is ofwel gescheiden van de moeder ofwel overleden). Zij hadden alle drie voor het studiejaar 2013/2014 in Luxemburg studiefinanciering aangevraagd, op grond van het feit dat de respectieve stiefvaders daar sinds meer dan vijf jaar ononderbroken hadden gewerkt (daarentegen werkte destijds geen van de moeders daar). De Luxemburgse autoriteiten weigerden deze aanvragen in te willigen, omdat D., K. en L. juridisch gezien niet de „kinderen” waren van een grensarbeider, maar enkel „stiefkinderen”.

De drie studenten vochtten de besluiten van de Luxemburgse autoriteiten aan bij de Cour administrative. Volgens de verwijzende rechter was de beslechting van de drie bij hem aanhangige gedingen afhankelijk van de uitlegging van het begrip “kind” van een grensarbeider, in de zin van artikel 2 bis van de gewijzigde wet van 22 juni 2000, rekening gehouden met dat arrest en de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011.

Indien het begrip “kind” in de zin van de gewijzigde wet van 22 juni 2000 verwijst naar het begrip “kind ten laste”, dan rijst de vraag wat het eventuele belang is van de mate waarin de grensarbeider de lasten van de student op zich heeft genomen. De Cour administrative preciseerde dat deze vraag betrekking had op de vergelijking van de mate waarin de lasten van de student worden gedragen door de grensarbeider enerzijds en door zijn ouder(s) anderzijds. Ten slotte vroeg de rechter zich af of de intensiteit van de band van de grensarbeider met een van de ouders van de student van betekenis was. Daarop schorste de Cour administrative de behandeling van de zaak en het hof verzocht om een prejudiciële beslissing.

Met zijn vraag wenste de verwijzende rechter te vernemen of artikel 45 VWEU en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 in die zin moeten worden uitgelegd dat onder kind van een grensarbeider dat indirect recht heeft op de in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 bedoelde sociale voordelen, zoals studiefinanciering die door een lidstaat wordt toegekend aan kinderen van werknemers die hun activiteiten in die staat uitoefenen of hebben uitgeoefend, uitsluitend wordt verstaan het kind dat een bloedverwant van deze werknemers is dan wel tevens het kind van de echtgenoot of geregistreerd partner van die werknemer. Indien dit laatste het geval is, wenste de verwijzende rechter te vernemen welke invloed de omvang van de bijdrage van de grensarbeider in de lasten van het onderhoud van dat kind heeft op het recht van dat kind om studiefinanciering voor het volgen van hoger onderwijs te ontvangen.

Het Hof van Justitie

In zijn arrest bracht het Hof allereerst in herinnering dat volgens een verordening van de Unie een uit een lidstaat afkomstige werknemer in elke andere lidstaat waarin hij werkt, dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers.

Bovendien herinnerde het Hof eraan dat met betrekking tot het Unieburgerschap kinderen in een richtlijn van de Unie zijn gedefinieerd als de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die ten laste zijn alsmede de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn van de echtgenoot of partner. Het Hof stelde vast dat uit de ontwikkeling van de Uniewetgeving volgt dat de familieleden die recht kunnen hebben op gelijke behandeling als voorzien in de verordening, familieleden zoals gedefinieerd in de richtlijn zijn. Niets doet immers veronderstellen dat de Uniewetgever met betrekking tot de familieleden heeft bedoeld een waterdicht onderscheid te maken op grond waarvan de familieleden van een Unieburger in de zin van de richtlijn niet noodzakelijkerwijs dezelfde personen zijn als de familieleden van deze burger wanneer hij wordt bezien in zijn hoedanigheid van werknemer in het kader van de verordening.

Op de prejudiciële vraag werd als volgt geantwoord: “Artikel 45 VWEU en artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, moet in die zin worden uitgelegd dat onder kind van een grensarbeider dat indirect aanspraak kan maken op de in laatstgenoemde bepaling bedoelde sociale voordelen, zoals de studiefinanciering die door een lidstaat wordt toegekend aan kinderen van werknemers die hun activiteiten in deze staat uitoefenen of hebben uitgeoefend, niet alleen moet worden verstaan het kind dat een bloedverwant van die werknemer is, maar ook het kind van de echtgenoot of geregistreerd partner van die werknemer, wanneer deze werknemer voorziet in het onderhoud van dat kind. Dit laatste vereiste vloeit voort uit een feitelijke situatie en de beoordeling daarvan is de taak van de overheidsinstanties en, in voorkomend geval, van de nationale rechter, zonder dat de redenen voor deze bijdrage hoeven te worden bepaald of de exacte omvang ervan hoeft te worden berekend.

Het Hof kwam tot de slotsom dat de kinderen van de echtgenoot of erkende partner van een grensarbeider kunnen worden beschouwd als kinderen van laatstgenoemde om in aanmerking te kunnen komen voor een sociaal voordeel, zoals studiefinanciering, te meer daar een andere richtlijn van de Unie , die na de litigieuze feiten in werking is getreden, bevestigt dat de uitdrukking „familieleden” ook van toepassing is op familieleden van grensarbeiders. Met betrekking tot de omvang van de bijdrage die nodig is voor het onderhoud van een student met wie de grensarbeider geen juridische band heeft, brengt het Hof in herinnering dat de hoedanigheid van familielid ten laste voortvloeit uit een feitelijke situatie, welke rechtspraak ook moet worden toegepast op de bijdrage van een echtgenoot ten aanzien van zijn stiefkinderen.

De bijdrage in het onderhoud van het kind kan dus worden bewezen met objectieve gegevens zoals het huwelijk, geregistreerd partnerschap of ook een gemeenschappelijk woning, zonder dat de redenen voor de bijdrage van de grensarbeider in dat onderhoud hoeven te worden bepaald of de exacte omvang ervan hoeft te worden berekend.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter ad interim Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • Hof van Justitie 15 december 2016 , C-401/15, C-402/15, C-403/15 Depesme en Kerrou, nr. 136/2016.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be