EHRM- kinderontvoering superieur belang van het kind
Rechtspraak 09/01/2013

EHRM 10 juli 2012, B t. België, Appl. Nr. 4320/11

​In het ezine 7/2012 benadrukten we reeds dit arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens m.b.t. kinderontvoering. Het artikel van Godfroid en Gevers dat toen werd aangehaald hekelde daarbij vooral de rol van het EHRM dat gaat fungeren als rechtbank van derde aanleg.

In dit ezine leggen we de nadruk op de ontleding van het arrest zelf en het belang van het kind. Het Hof van Beroep te Gent oordeelde op 23 december 2010 dat het kind van een Amerikaans-Belgisch echtpaar, dat door de moeder naar België was meegenomen, moest terugkeren naar de VS. Op 10 juli 2012 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de gedwongen terugkeer een disproportionele inbreuk zou uitmaken op het recht op een gezinsleven van moeder en kind.

De kinderontvoering: moeder en dochter verlaten de vs zonder toestemming vader.

De Belgische V. leerde M. kennen in de VS en in 2003 werd S. geboren. De relatie loopt evenwel spaak (volgens de moeder onder meer omwille van het gewelddadig karakter van M.). Gedurende de eerste vier levensjaren van S. heeft de vader geen contact met haar. In mei 2006 wordt de moeder veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor sociale fraude.

In het najaar van datzelfde jaar start M. een procedure tot het verkrijgen van het exclusief hoederecht. De partijen komen evenwel in der minne overeen om in co-ouderschap te voorzien, waarbij de vader een tijdelijk bezoekrecht krijgt. De rechter bekrachtigt dit akkoord en legt daarbij aan beide partijen op dat geen van beiden, samen met de dochter, het land mag verlaten zonder het akkoord van de andere ouder en de rechter.

In juni 2008 verhuist M. , doch hij weigert zijn nieuwe adres mee te delen aan de moeder. Deze weigert hierop het kind mee te geven aan de vader, tot hij zijn adres zou meedelen. 
Hierop stapt de vader naar de rechter, die een schending van de minnelijke regeling vaststelt en aan de vader verschillende compensatiedagen toekent.

Hierop stapt de moeder naar een andere rechter om de bezoekregeling gewijzigd te zien nu er - volgens haar - een risico op huiselijk geweld bestaat. Deze rechter gaat in op de vraag van de moeder en verbiedt dat de dochter tot aan de volgende zitting bij haar vader op bezoek mag gaan. Uit een psychologisch rapport opgesteld op vraag van de moeder blijkt tevens dat het meisje gedragsproblemen vertoont omwille van de bezoeken aan haar vader.

De vader vecht de beslissing van de laatste rechter succesvol aan. Op 26 oktober 2008 sluiten de partijen wederom een akkoord af over de praktische kanten van de nieuwe co-ouderschapsregeling.

 Twee dagen later vertrekt de moeder met haar dochter S. naar België, zonder dat zij de toestemming heeft verkregen van de vader, noch van de rechter.

Op 24 december 2008 stelt de Circuit Court vast dat de moeder zich niet gehouden heeft aan de voorwaarden van het co-ouderschap, nu zij het kind heeft meegenomen. Hierop wordt het exclusief hoederecht toebedeeld aan de vader.

Op 15 januari 2009 contacteert de Amerikaanse centrale autoriteit voor de internationale kinderontvoeringen de Belgische autoriteit, met de vraag om de bepalingen en het Haagse Kinderontvoeringsverdrag toe te passen en het meisje terug naar Amerika te sturen.

De procedure in belgië.

Op 22 januari 2009 start de moeder een procedure voor de jeugdrechtbank in Brugge om het exclusief bezoekrecht te verkrijgen. De zaak wordt evenwel naar de rol verwezen gelet op de procedure hangende de toepassing van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder laat verschillende psychologische rapporten opstellen over haar dochter, waarin gesteld wordt dat zij een gevoel van veiligheid en vertrouwen relateert aan haar verblijf in België. De dochter heeft een duidelijke band opgebouwd met haar moeder en haar vader kent ze bijna niet.

Tijdens haar bezoeken aan haar vader werd het meisje namelijk vaak achtergelaten bij haar grootmoeder. De psychologen achten het dan ook duidelijk niet in het belang van het kind aan het vader het exclusief hoederecht toe te kennen.

De Belgische controle autoriteit legt op 27 oktober 2009 in naam van de vader een verzoekschrift neer bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Hierbij verzoekt de autoriteit de rechtbank om vast te stellen dat de moeder de dochter op illegale wijze naar België heeft meegenomen en een bevel op te leggen aan de moeder om de dochter onmiddellijk terug in de VS te sturen (op straffe van een dwangsom).
Op de zitting vraagt het openbaar ministerie om het meisje niet terug te sturen, nu art. 13 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag in deze zaak van toepassing is. Conform deze bepaling kan de terugzending namelijk geweigerd worden wanneer aangetoond wordt dat "er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht". Uit een nieuw psychologisch rapport blijkt namelijk dat het meisje geen gedragsproblemen meer vertoont sinds haar verblijf in België en hier perfect geïntegreerd is. Haar vader is, voor haar, verbonden met herinneringen van eenzaamheid, angst en haat, aldus de psycholoog.

De rechtbank van eerste aanleg volgt het openbaar ministerie en wijst het verzoek van de centrale autoriteit af.

Hierop gaat de centrale autoriteit in naam van de vader, in beroep.

In september 2010 ontmoet de vader zijn dochter in België, deze ontmoeting wordt gefilmd en er is ook een psycholoog aanwezig. Er zijn geen incidenten en het meisje vertoont bij deze ontmoeting ook geen angstige of vreemde reacties. Het openbaar ministerie vraagt ook in beroep om het meisje niet terug te sturen naar de vader. Zij heeft geen band met de man, aldus de procureur, en een eventuele terugzending zou leiden tot een ondraaglijke toestand.

Op 23 december 2010 verbreekt het hof van beroep de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg. Saskia moet binnen de maand na de betekening van het arrest terug naar de VS. V. is namelijk uit de VS vertrokken, goed wetende dat dit niet conform de opgelegde voorwaarden gebeurde. Zij kan niet terug naar de VS, nu zij ook de voorwaarden van haar voorwaardelijke gevangenisstraf geschonden heeft. Een consequentie van de terugkeer is dat zij uit het ouderlijk gezag zal ontzet worden. Daarnaast wijst niets erop dat Marc niet op gepaste wijze voor het kind kan zorgen, desnoods met hulp van derden. Bij de ontmoeting waren er geen problemen, wat niet strookt met de verklaringen van de moeder.

Het hof concludeert dat de moeder de vader voor een voldongen feit heeft gezet met het kind te ontvoeren. Deze ontvoering was ook niet in het belang van het kind, nu het geen contact meer kan hebben met haar vader.

Het Hof van Cassatie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Hierop gaat de moeder in cassatie.

De advocaat van de moeder stapt eveneens naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om de Belgische staat een tijdelijk verbod te laten opleggen om de uitzetting uit te voeren in afwachting van de uitspraak van het Hof van Cassatie. Deze voorlopige maatregel wordt toegekend.

Op 14 maart 2011 probeert de vader met 5 vrienden zijn dochter mee te nemen aan de schoolpoort. De politie komt tussen en de ontvoering kan verhinderd worden. Hierna wordt in kort geding aan de vader het verbod opgelegd om samen met het meisje België te verlaten, en dit op straffe van een dwangsom.
Het cassatieberoep wordt afgewezen als ongegrond in november 2011.

De moeder dient hierop klacht in voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. V. en S. klagen over de beslissing van het hof van beroep te Gent, nu dit hof onvoldoende de familiale situatie onderzocht heeft en geen afweging heeft gemaakt van de belangen van de betrokkenen in deze zaak. Daarnaast heeft het hof de belangen van het kind niet laten primeren. Het gaat daarbij om een disproportionele inmenging van het familieleven van de moeder en haar dochter, zoals dat beschermd wordt door art. 8 EVRM.

Het EHRM begint zijn argumentatie door te stellen dat het familieleven van moeder en dochter , verzoeksters voor het EHRM - zoals dat beschermd wordt door art. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens(EVRM) zonder twijfel aangetast werd door de beslissing van het Gentse hof van beroep. Het recht op een familieleven is evenwel niet absoluut en kan beperkt worden. De mogelijkheid van terugzending wordt voorzien in de wet en meer bepaald in het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het EHRM gaat vervolgens na of de beslissing ook een legitiem doel nastreefde en noodzakelijk was in een democratische samenleving. Het EHRM concludeert dan ook dat het hof van beroep niet in staat was, op basis van de voor hen liggende informatie, te kunnen beslissen of art. 13 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag van toepassing was. De beslissingsprocedure voldeed dus niet aan de procedurele voorwaarden van art. 8 EVRM. De gedwongen terugkeer van de dochter S. naar de VS is dus niet noodzakelijk in een democratische samenleving.
Het hof besluit dat art. 8 EVRM werd geschonden.

Bron:

  • EHRM 10 juli 2012, B t. België, Appl. Nr. 4320/11, Tijdschrift voor Strafrecht 2012/5, 378-380.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be