EHRM - strenge straffen en detentie voor minderjarige voor deelname aan een demonstratie van de PKK waarbij hij stenen gooide naar de politie – schending artikel 11 EVRM – er werd geen rekening gehouden met de jonge leeftijd van de minderjarig
Rechtspraak 14/07/2016

EHRM, 19 januari 2016, Güzcü t. Turkije, applicatienr. 17526/10.

​Deze zaak handelt over de veroordeling, de detentie en de gevangenisstraf van een minderjarige omdat hij lid was van de PKK, en deelgenomen had aan een demonstratie in Diyarbakir (Turkije) in juli 2008 waarbij hij stenen naar de politie gooide. Hij werd eveneens veroordeeld voor het verspreiden van propaganda voor de illegale PKK.

Feiten

Ferit Gülcü, geboren in 1992, heeft de Turkse nationaliteit en woont in Diyarbakir. In juli 2008, toen hij vijftien jaar was, werd hij gearresteerd en in voorlopige hechtenis genomen, hij werd geïdentificeerd op een video, waarop te zien was dat hij tijdens een demonstratie van de PKK, stenen gooide naar de politie. Een protest dat werd gehouden naar aanleiding van de penibele gevangenisomstandigheden waarin de leider van de PKK, Öcalan zich bevond.

Tijdens het gerechtelijk onderzoek gaf G. toe dat hij tijdens de demonstratie de slogan: “Lang leve Öcalan” had gescandeerd en dat hij stenen naar de politie had gegooid op het ogenblik dat deze laatste tussenkwam in de demonstratie. G. beweerde dat hij geen banden had met de PKK en dat hij door toeval in de demonstratie belandde. Niettegenstaande deze feiten, diende hij voor het hof van assisen van Dyarbakir te verschijnen. Het hof van assisen veroordeelde hem in 2008 voor lidmaatschap van de PKK, het verspreiden van propaganda voor de PKK en voor het bieden van weerstand tegen de politie.

G. zat drie maanden en 20 dagen in voorlopige hechtenis vooraleer hij veroordeeld werd. Hij kreeg een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden. Hij zat een deel van zijn gevangenisstraf uit, 1 jaar en 2 maanden, toen hij werd vrijgelaten in 2010. Er werd toen beslist de zaak opnieuw in zijn geheel te beoordelen naar aanleiding van nieuwe wetsvoorstellen die in het voordeel werkten voor jeugdige delinquenten.

In 2012 werd G. door de jeugdrechtbank van Diyarbakir vrijgesproken voor lidmaatschap van de PKK, maar werd wel veroordeeld voor het verspreiden van propaganda voor de PKK en het bieden van weerstand aan de politie. De gevangenisstraf was onder de opschortende voorwaarde dat hij gedurende drie jaar geen criminele feiten zou plegen.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens – schending artikel 11 EVRM

G. stapte naar het EHRM en klaagde aan dat artikel 11 EVRM geschonden werd, namelijk het recht op vrijheid van vereniging en vreedzame vergaderingen.

Het Hof was van oordeel, dat zelfs wanneer G. veroordeeld werd voor geweld tegen de politie er geen enkele reden was om te veronderstellen dat hij bij zijn deelname aan de demonstratie de intentie had om geweld te plegen, tevens waren er geen elementen voorhanden die konden aantonen dat de demonstratie iets anders voor oog had dan een vreedzame demonstratie.

Het Hof stelde eveneens vast dat de straffen bijzonder zwaar waren. Er werd een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden opgelegd aan G.  die op het ogenblik van de feiten 15 jaar was.  Meer nog, zelfs wanneer G. werd vrijgelaten in 2010 en de beslissing van de jeugdrechtbank gunstiger was dan het arrest van het hof van assisen, dan nog werd G. gedurende een periode van bijna twee jaar van zijn vrijheid beroofd.

Het Hof oordeelde dat het hof van assisen nagelaten had aan te tonen dat G. daadwerkelijk een lid was van de PKK en dat hij propaganda verspreidde voor deze organisatie.  De Turkse rechtbanken hadden op geen enkel moment de jonge leeftijd van G. in overweging genomen, er werden geen alternatieve middelen overwogen noch werd rekening gehouden met artikel 37 VRK dat bepaalt dat aanhouding of gevangenschap van een minderjarige enkel mag worden toegepast als uiterste middel en voor de kortst mogelijke duur.

Het EHRM oordeelde dat artikel 11 EVRM geschonden werd.

Internationaal mensenrechtelijke verdragen

Internationale mensenrechtelijke verdragen dwingen tot de grootst mogelijke terughoudendheid ten aanzien van vrijheidsberoving van kinderen. Elk kind heeft recht op bijzondere bescherming. Dit betekent dat het die bescherming moet genieten die noodzakelijk is in het licht van zijn bijzondere positie en kwetsbaarheid als gedetineerd kind. Hierbij dient rekening te worden gehouden met verschillen tussen kinderen op grond van onder meer leeftijd, rijpheid en geslacht.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • EHRM, 19 januari 2016, Güzcü t. Turkije, applicatienr. 17526/10.
  • T. LIEFAARD, Deprivation of liberty of Children in light of International Human Rights Law and Standards, (diss. Amsterdam VU), Antwerp/Oxford/Portland, Intersentia, 2008.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be