EHRM – oudervervreemding
Rechtspraak 21/06/2017

EHRM 14 maart 2017, K.B. e.a./Kroatië, applicatie nr. 36216/13.

EHRM 6 april 2017, Aneva e.a./ Bulgarije, applicatie nr. 66997/13, 77760/14, 50240/15.l

​EHRM – oudervervreemding – schending artikel 8 EVRM


Feiten

K.B. werd geboren in 1968, haar twee zonen in 2001 en 2005. Zij leeft in Kroatië in een klein dorpje. De kinderen wonen bij hun vader B. in S. In 2002 huwde ze met B. In de periode tussen 2002 en 2009 woonde de familie samen in hun huis te S. ten noord westen van de stad Split. Op 24 maart 2009 contacteerde K.B. de sociale dienst van Split omdat ze vreesde voor haar leven en dat van haar kinderen. Ze beweerde dat haar echtgenoot haar en haar kinderen verbaal en mentaal mishandelde en dit reeds gedurende verschillende jaren. Maar dat de toestand nu onhoudbaar werd. De politie werd ingeschakeld.

Op 25 maart 2009 verhuisde zij met haar kinderen naar haar ouders in een gemeente in centraal Kroatië. Op 24 april 2009 maakte de politie haar dossier in verband met vermeend misbruik over aan het Openbaar Ministerie. Op 22 februari 2011 werd beslist dat er geen strafbare feiten werden begaan door de vader.
Op 1 juli 2009 werd K.B. opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis waar ze verbleef tot 9 augustus 2009. Ze leed aan angstaanvallen en depressies veroorzaakt door haar gezinssituatie. Sindsdien werden verschillende gerechtelijke procedures ingeleid met betrekking tot het verblijf en de omgang van de kinderen, zonder enig resultaat.

K.B. scheidde van de vader en kreeg het ouderlijk gezag over haar kinderen, de vader kreeg een omgangsrecht. Op het einde van augustus 2010 negeerde de vader een rechterlijk bevel om de kinderen na de zomervakantie naar hun moeder te brengen. Sindsdien verbleven de kinderen bij hun vader. Ondanks het feit dat K.B. tijdens verschillende gelegenheden contact probeerde te maken weigerden de kinderen om hun moeder te zien.

Oudervervreemding

In 2015 stelde een door de rechtbank aangestelde psychiater vast dat de vervreemding van de kinderen van hun moeder en de weigering om haar te zien, het resultaat was van de negatieve houding van de vader tegenover de moeder. De vader kreeg het bevel van de rechter om psychotherapie te volgen.

EHRM

K.B. klaagde bij het EHRM in het bijzonder dat door het ontbreken van een regelmatig contact met haar zonen dat noodzakelijk was om de familiebanden te kunnen onderhouden de autoriteiten van Kroatië haar rechten onder artikel 8 EVRM hadden geschonden.

Het EHRM was van oordeel dat de autoriteiten van Kroatië gefaald hadden in hun verplichting effectief contact tussen K.B. en haar kinderen te verwezenlijken, artikel 8 EVRM werd geschonden. Kroatië werd veroordeeld tot het betalen van een geldboete van 12.500 euro aan K.B. De klacht die K.B. indiende namens haar kinderen werd onontvankelijk verklaard.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter a.i. Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • EHRM 14 maart 2017, K.B. e.a./Kroatië, applicatie nr. 36216/13.

EHRM – OUDERVERVREEMDING – KIND IN INSTELLING

De feiten

In casu betrof het drie verschillende verzoeken waarbij een Bulgaarse ouder in de onmogelijkheid verkeerde om contact te hebben met zijn kind ondanks het bestaan van een rechterlijke uitspraak dat verblijfsrecht of omgangsrecht aan de ouder toekende.

Eerste verzoekster, V. Aneva, geboren in 1981 is de moeder van tweede verzoeker M. Ivanov, geboren in 2002. In het begin van 2005, nadat M. zijn vader had bezocht, reed de vader met het kind weg in plaats van hem terug te brengen naar zijn moeder. De vader weigerde herhaaldelijk dat Aneva contact zou hebben met haar zoon, nochtans werd dit bevolen door de rechter gedurende de echtscheidingsperiode.

De derde verzoeker, S. Kicheva, geboren in 1972 had eveneens het verblijfsrecht over haar kind nadat zij van de vader scheidde. In september 2011 weigerde de vader het kind terug te brengen naar zijn moeder, en sindsdien heeft Kicheva haar zoon bijna niet meer gezien, behalve in de instelling waar de jongen verbleef.

De vierde verzoeker S. Drunev, geboren in 1973 had omgangsrecht met zijn kind gedurende twee weekends per maand en een volle maand in de zomervakantie. Desondanks verhinderde zijn vrouw in 2012 elk contact met zijn kind.

EHRM – schending artikel 8 EVRM

Zich baserend op artikel 8 EVRM klaagden Aneva, Kicheva en Drunev de onmogelijkheid aan om contact te hebben met hun kinderen, ondanks verblijfs- of contactrecht toegekend door de rechter. Aneva diende de zelfde klacht in naam van haar zoon Ivanov, tweede klager, omwille van het feit dat hem niet de mogelijkheid geboden werd om contact te hebben met zijn moeder.

Het EHRM oordeelde dat artikel 8 EVRM geschonden werd in de zaken Aneva, Ivanov en Kicheva. Er was geen schending van artikel 8 EVRM in hoofde van Drunev.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter a.i. Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • EHRM 6 april 2017, Aneva e.a./ Bulgarije, applicatie nr. 66997/13, 77760/14, 50240/15.l


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be