EHRM – minderjarige geplaatst in een opvoedingsinstelling – controle briefwisseling en telefoonverkeer - schending artikel 5 §1 EVRM
Rechtspraak 14/07/2016

EHRM 19 mei 2016, D.L. v. Turkije, applicatienr. 7472/14

​De feiten

D.L. heeft de Bulgaarse nationaliteit en is geboren in 1999 in Pleven (Bulgarije). Op 2 augustus 2012, op het ogenblik dat ze dertien jaar oud was, werd ze geplaatst in een centrum voor kinderen in crisis, op basis van een beslissing van de directeur van de Sociale Diensten in Pleven, bevestigd door de rechtbank in Pleven. Deze beslissing werd meermaals verlengd.

In april 2013 vroeg het plaatselijk Comité tegen anti-sociaal gedrag bij jongeren, aan de rechter om het meisje te plaatsen in een opvoedingsinstelling, teneinde haar te beschermen tegen mogelijke seksuele uitbuiting. Op 19 april 2013 weigerde de rechtbank het verzoek op grond dat de plaatsing in een opvoedingsinstelling een negatieve invloed zou kunnen hebben op de psychologische en sociale ontwikkeling van het kind, gezien de ongunstige omgeving eigen aan het type van deze instelling. Op 17 mei 2013 vroeg het plaatselijke Comité opnieuw om D.C. in een opvoedingsinstelling te plaatsen op grond van het feit dat zij steeds wegliep, dat ze een onstabiele familiale achtergrond had en mensen ontmoette die haar tot immoreel seksueel gedrag konden aanzetten. Uiteindelijk werd het meisje dan toch geplaatst.

Europees Hof voor de Rechten van de Mensen – geen schending van artikel 5 § 1 (D) EVRM – wel schending artikel 5 § 4 EVRM

Zich baserend op artikel 5, § 1 (d) EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) klaagde D.L. voor het EHRM dat haar plaatsing in een opvoedingsinstelling in strijd was met het EVRM. Zij klaagde eveneens aan dat het controleren van haar briefwisseling en telefoongesprekken in  de instelling, artikel 8 EVRM schonden.

Het Hof ging na of de plaatsing in de opvoedingsinstelling conform artikel 5 § 1 (d) EVRM: “Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen behalve in de bepaalde gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure. In het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden”.

Het jonge meisje werd geplaatst om te verhinderen dat ze in de prostitutie belandde. Deze beslissing was tevens gestoeld op haar onwil om samen te werken, haar agressief gedrag en herhaalde pogingen om weg te lopen.

Het Hof stelde vast dat de plaatsing werd bevolen door de gerechtelijke autoriteiten na openbare hoorzittingen. Het voorstel van de autoriteiten om haar te plaatsen in een opvoedingsinstelling beschermden haar tegen risico’s. Het Hof besloot dat de beslissingen werden genomen overeenkomstig artikel 5 §1 (d) EVRM en er geen schending van dit artikel was.

Het Hof oordeelde echter wel dat artikel 5 §4  EVRM werd geschonden doordat D.L. niet in de mogelijkheid was om zich tot de rechtbank te wenden zodanig dat deze met hoogdringendheid zou beslissen over de rechtmatigheid van haar detentie en de invrijheidsstelling zou bevelen indien deze detentie onrechtmatig zou zijn.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens – schending artikel 8 EVRM

Het Hof overwoog dat het controleren van de correspondentie van minderjarigen die geplaatst werden in een gesloten opvoedingsinstelling mogelijk was, in het belang van de minderjarigen om deze te beschermen tegen negatieve invloeden van buitenaf.

Het Hof stelde echter vast dat in de opvoedingsinstelling alle communicatie gecontroleerd werd. Meer bepaald de communicatie die het meisje had met haar advocaat en met afgevaardigden van NGO’s voor de bescherming van de rechten van het kind.  In het reglement van de instelling stond niets vermeld in welke omstandigheden het toegelaten was briefwisseling en telefoonverkeer te controleren.

Het Hof besloot dat een dergelijk regime artikel 8 EVRM schendt. De regeling in de instelling was inadequaat en de mogelijkheden van het meisje om te communiceren met de buitenwereld werden onrechtmatig gelimiteerd. Er werd immers geen onderscheid gemaakt tussen telefoons met familieleden, vertegenwoordigers van NGO’s en anderen.

Auteur: C. Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • EHRM 19 mei 2016, D.L. v. Turkije, applicatienr. 7472/14


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be