EHRM – advocaat had geen contact meer met zijn cliënten – uitgewezen servisch gezin – zaak van de lijst gehaald
Rechtspraak 05/12/2016

EVRM 17 november 2016, V.M. e.a. t. België, applicatie nr. 60125/11.

EVRM 7 juli 2015, V.M. e.a. t. België, applicatie nr. 60125/11. Verwijzing naar Grote Kamer op 14 december

​In casu gaat het over een zaak tegen België aangebracht onder artikel 34 EVRM(het EHRM kan verzoekschriften ontvangen van iedere natuurlijke persoon, een NGO of een van iedere groep personen die beweert slachtoffer te zijn van een schending door één van de Hoge verdragsluitende partijen van de rechten die in het Verdrag of de Protocollen daarbij zijn vervat) door zeven Serviërs, V.M., S.G.M. en hun vijf kinderen S.M., E.M., S.M., E.M. en E.M.M. op 27 september 2011. Verzoekers voerden aan dat ze in België in omstandigheden dienden te leven die onverenigbaar waren met artikel 3 EVRM, en dat dit geleid had tot de dood van hun oudste dochter.

De feiten

Verzoekers zijn geboren in 1981, 1977, 1999, 2001, 2004, 2007 en 2011, De oudste dochter overleed nadat het verzoek bij het EHRM was ingediend. Verzoekers hebben een groot deel van hun leven doorgebracht in Servië. Zijn verlieten hun land in 2010 en gingen naar Kosovo, in februari 2010 trokken ze naar Frankrijk waar ze asiel aanvroegen. Op 4 januari 2010 werd hun asielvraag verworpen. Ze verlieten Frankrijk, gingen terug naar Kosovo en vandaar terug naar Servië.

In maart 2011 kwamen ze naar België, waar zij asiel aanvroegen op 1 april 2011. Op dezelfde dag stelde Fedasil hen een plaats ter beschikking in het opvangcentrum van Morlanwelz. Op 12 april 2011 stuurde de Belgische overheid een verzoek naar Frankrijk om het gezin terug te op te nemen onder Verordening (EC) nr. 343/2003 van 18 februari 2003 (Dublinverordening II). Aanvankelijk weigerde Frankrijk dit op grond van het feit dat verzoekers reeds meer dan drie maanden het grondgebied van de lidstaten had verlaten. Nadat België zijn verzoek herhaald, waren de Franse autoriteiten akkoord om de familie terug toe te laten op Frans grondgebied. De transfer diende te gebeuren onder escorte van de grenscontrolepost Rekkem. Op 17 mei 2011 nam de Dienst Vreemdelingen Zaken (DVZ) een beslissing waardoor de familie niet langer meer in België mocht verblijven en naar Frankrijk diende te vertrekken binnen de zeven dagen (beslissing “annex 26 quater” van de Dublin II Verordening). Op 26 mei 2016 werd het uitwijzingsbevel verlengd tot 25 september 2011, omwille van de zwangerschap van de moeder. Nadat ze bevallen was eind juli, werd de familie een plaats toegewezen in het opvangcentrum van Sint-Truiden. Op 22 september 2011, trachtte het gezin in België te blijven op basis van medische redenen, artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet gezien de slechte gezondheidstoestand van hun baby. Dit verzoek werd onontvankelijk verklaard omdat de graad van de ernst van de ziekte van de baby niet werd vermeld. In afwachting van hun uitwijzing werden zij uitgesloten uit het asielcentrum. Zij trokken naar Brussel met de trein, een humanitaire organisatie verwees hen naar de Place Gaucheret waar andere dakloze Roma verbleven. Ze bleven hier enkele dagen. Op 5 oktober 2011, nadat de Délégue Général aux droits de l’Enfant verscheidene instellingen had gecontacteerd, kregen verzoekers in het transitcentrum Sint-Pieters-Woluwe een plaats toegewezen. Op 7 oktober 2011 stuurde Fedasil het gezin naar het opvangcentrum in Bovigny. Verzoekers verbleven twee weken aan het Noordstation te Brussel vooraleer ze een vrijwillige terugkeer naar Servië aanvaardden. Deze terugkeer werd georganiseerd door een liefdadigheidsorganisatie. Op 18 december 2011 overleed de oudste dochter in Servië ten gevolge van een longontsteking. In een arrest van 29 november 2011 verwierp de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bevel om het land te verlaten. De Belgische overheid stapte naar de Raad van State. Het beroep werd in eerste instantie ontvankelijk verklaard, maar uiteindelijk onontvankelijk op grond van het gebrek aan belang. Verzoekers hadden België reeds meer dan drie maanden verlaten waardoor België niet langer verantwoordelijk was om de Staat te bepalen verantwoordelijk onder de Dublin II Verordening.

EHRM – schending artikel 3 EVRM – verwijzing naar grote kamer

Verzoekers stapten naar het EHRM op 27 september 2011. Op 7 juli 2015 oordeelde het Hof dat er een schending was van artikel 3 EVRM, m.b.t. levensomstandigheden van verzoekers in België. De zaak werd op 14 december 2015 verwezen naar de Grote Kamer.

De advocaat van verzoekers informeerde het Hof dat zij geen verder contact had met verzoekers sinds het einde van de procedure voor de Kamer. Tijdens de hoorzitting van 25 mei 2016 bevestigde ze dat niet in de mogelijkheid was geweest contact met hen te maken. Het Hof stelde dat de vertegenwoordiger van verzoekers niet alleen een geschreven toestemming van hen diende te hebben maar ook dat het belangrijk was dat het contact tussen de vertegenwoordigers en verzoekers diende onderhouden te worden gedurende de hele procedure. In casu stelde het Hof vast dat verzoekers geen contact hadden onderhouden met hun advocaat om haar op de hoogte te houden van hun verblijfplaats. Het Hof concludeerde dat verzoekers hun interesse in de procedure verloren hadden. Uit navraag bleek dat de laatste keer dat verzoekers en hun advocaat contact met elkaar hadden een datum was voorafgaand aan de beslissing van het EHRM. Verzoekers waren onwetend over dit arrest enerzijds en anderzijds waren ze ook niet op de hoogte van de verwijzing naar de Grote Kamer. In deze omstandigheden oordeelde het Hof dat de advocaat van verzoekers niet kon weten of de procedure verder diende gezet te worden. Het Hof stelde vast dat verzoekers uit eigen wil terug naar hun thuisland waren vertrokken en dat hun vertrek uit België klaarblijkelijk niet had geleid tot het verlies van het contact met hun advocate. De advocate bevestigde dat ze contact met verzoekers had onderhouden gedurende de procedure voor de Kamer. Het contactverlies was geen gevolg van een handeling van de Belgische overheid. Noch was er ook maar iets dat suggereerde dat de precaire omstandigheden in dewelke verzoekers hadden geleefd in Servië van die aard waren om hen te verhinderen enige vorm van contact te onderhouden met hun advocate of een andere derde partij. Het Hof nam nota van de bezorgdheid van de advocate dat in het geval dat de verzoekschrift van de lijst zou geschrapt worden, de verzoekers het voordeel van het arrest van de Kamer zouden verliezen. Het Hof stelde dat een dergelijke situatie, het gevolg was van het ontbreken van het contact met de advocate en niet van de overheid die gebruik maakte van de mogelijkheid, voorzien in artikel 43 § 1 EHRM waarbij de zaak verwezen werd naar de Grote Kamer. Het Hof merkte op dat verzoekers eens dat het verzoekschrift van de lijst is geschrapt een verzoek kunnen indienen om de zaak terug op de lijst te plaatsen.

In overeenstemming met artikel 37 § 1 (a) EVRM concludeerde het Hof dat verzoekers niet de intentie hadden om de zaak verder te zetten. Het verzoekschrift werd van de lijst geschrapt.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • EVRM 17 november 2016, V.M. e.a. t. België, applicatie nr. 60125/11.
  • EVRM 7 juli 2015, V.M. e.a. t. België, applicatie nr. 60125/11. Verwijzing naar Grote Kamer op 14 december


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be