EHRM– slagen en verwondingen toegebracht aan 16-jarige roma tijdens hechtenis op het politiebureau – feiten niet bewezen – geen schending artikel 3 evrm m.b.t. vermeende slagen en verwondingen – wel schending
Rechtspraak 30/09/2016

EHRM 26 juli 2016, Adam v. Slovakije, appl. nr. 68066/12.

​Jaroslav Adam, is een Slovaak van Roma origine, geboren in 1994 en woonachtig in Bidovce (Slovakije). Deze zaak handelt over de klacht van een jonge Roma, die tijdens een politieverhoor omtrent een overval in het gezicht werd geslagen door de politie.

De feiten

Adam werd gearresteerd samen met twee andere verdachten in de avond van 18 december 2010 op verdenking van een overval, hij werd naar het plaatselijk politiebureau overgebracht voor ondervraging. Hij beweerde dat hij tijdens de ondervraging geslagen werd op het hoofd.

De tiener werd beschuldigd van diefstal in de vroege uren van 19 december 2010, hij werd daarna opnieuw ondervraagd in aanwezigheid van zijn moeder en een pro-deo advocaat. Hij werd in de loop van de dag vrijgelaten. Hij beweerde dat hij gedurende zijn hechtenis geen eten of drinken kreeg en niet mocht zitten of liggen. De klacht tegen hem werd achteraf ingetrokken.

Adam legde klacht neer bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, hij beweerde dat hij tijdens zijn hechtenis mishandeld werd, en geen water of voedsel kreeg. Hij beschikte eveneens over een medisch dossier van 19 december 2010 waarbij een arts een gezwollen kaak vaststelde, zonder hematoom. Als gevolg van deze klacht ondervroegen de autoriteiten zowel Adam als de twee officieren die hem hadden ondervraagd.
Zijn klacht werd verworpen in maart 2011. Er werd geen enkele indicatie gevonden van mishandeling, de verwondingen konden misschien ontstaan zijn ingevolge zijn verzet tijdens de arrestatie. Adam ging hiertegen in beroep. Uiteindelijk werd in 2012, zijn klacht door het Grondwettelijk Hof verworpen en ongegrond verklaard.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Adam stapte naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich steunende op artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke en vernederende behandeling), artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) voerde Adam aan dat hij mishandeld werd door de politie en dat het onderzoek naar zijn klacht inadequaat werd uitgevoerd. Hij stelde eveneens dat op basis van artikel 14 EVRM (verbod van discriminatie) in samenhang gelezen met artikel 3 en 13 EVRM het onderzoek naar zijn vermeende klachten racistisch gemotiveerd was.

Het EHRM vond dat er een aantal tegenstrijdigheden waren in het medisch rapport. Het medisch rapport stelde dat Adam op de rechter kaak was geslagen terwijl de dokter op 19 december 2010 vaststelde dat de linker kaak gezwollen was. De bewering dat hij gedurende drie uren geslagen, geduwd en gestampt werd op het hoofd werd eveneens tegengesproken. Daarenboven legde Adam pas officieel klacht neer op 5 januari 2011, vijftien dagen na de mishandeling.

Gezien de omstandigheden achtte het EHRM het waarschijnlijk dat de verwondingen van Adam wellicht het gevolg waren van zijn verzet tijdens zijn arrestatie. De Slovaakse overheid had dit uitvoerig gedocumenteerd, dit in tegenstelling tot Adam die geen ondersteunend bewijsmateriaal aanvoerde. Het Hof oordeelde dat Adam niet werd blootgesteld aan onmenselijke of onterende behandeling. Niettemin vond het Hof de beweringen van Adam geloofwaardig genoeg. Er waren door de overheid geen stappen ondernomen om de tegenstrijdigheden met betrekking tot de verschillende versies van de gezwollen kaak van Adam te ontwarren. De autoriteiten hadden eveneens niets ondernomen om Adam te laten bijstaan tijdens zijn verhoor, en hadden eveneens nagelaten de politieofficieren aan een kruisverhoor te onderwerpen.

Wat betreft de klacht van Adam, m.b.t. het verzuim om zijn wettelijke voogden op de hoogte te stellen van zijn arrestatie en detentie, en de weigering om hem eten en drinken te geven tijdens de detentie werden verworpen zonder enige uitleg van de overheid, ook het Grondwettelijk Hof had volgens het EHRM deze klacht volledig over het hoofd gezien.

Rekening houdend met de precaire situatie van de Roma in Slovakije ten tijde van de feiten concludeerde het EHRM dat de autoriteiten niet alles hadden gedaan wat redelijkerwijs van hen kon verwacht worden om de beschuldigingen van Adam over zijn mishandelingen te onderzoeken.

Het Hof besloot dat er geen schending was van artikel 3 EVRM wat betreft de bewering van Adam dat hij geslagen werd door de politie tijdens zijn hechtenis, maar dat er een schending was van artikel 3 EVRM (onderzoek) m.b.t. het onderzoek naar de vermeende slagen dat inadequaat werd uitgevoerd.

Op basis  van artikel 41 EVRM werd Slovakije veroordeeld, om aan Adam de som van 1500 euro te betalen als billijke genoegdoening.

Auteur: Christine Melkebeek,vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • EHRM 26 juli 2016, Adam v. Slovakije, appl. nr. 68066/12.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be