Bekwaamheid en vertegenwoordiging

​​Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een kind onder het ouderlijk gezag van zijn ouders staat totdat het meerderjarig is geworden (art. 372 BW). Het ouderlijk gezag moet worden uitgeoefend in het belang van het kind. Doel ervan is om minderjarigen juridisch te beschermen omdat ze de wijsheid en de ervaring missen om zelf aan het rechtsverkeer deel te nemen. In een moderne opvatting stelt men dat dit ouderlijk gezag evolutief of beter gezegd uitdunnend is. Ouders moeten meer rekening houden met het kind zelf naarmate dit ouder wordt en zijn capaciteiten toenemen.

Al is de onbekwaamheid tot 18 jaar de regel, op verschillende plaatsen in het recht duiken expliciete bepalingen op die jongeren in meerdere of mindere mate bekwaam achten om een bepaalde rechtshandeling te stellen. Soms blijft daarbij de bijstand of de instemming van de ouders vereist, in andere gevallen kan de minderjarige volledig zelf handelen. Sommige rechten kan een minderjarige steevast uitoefenen, voor andere rechten geldt er een leeftijdsgrens.

Het juridisch basisprincipe van onbekwaamheid tot 18 jaar botst met de maatschappelijk realiteit waarin jongeren vanaf 15, 16 jaar vaak een eigen inkomen hebben en als consument op tal van terreinen aanwezig zijn. We staan stil bij de mogelijke gevolgen indien een minderjarige toch overgaat tot het stellen van een rechtshandeling. Meestal is er slechts sprake van 'relatieve nietigheid', nl. enkel als de jongere benadeeld werd kan op de handeling teruggekomen worden.


 

 

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van Steunpunt Jeugdhulp en Steunpunt Algemeen Welzijnswerk

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

info@jeugdrecht.be

Copyright Jeugdrecht.be