Betwisting van de vaderlijke erkenning
Rechtspraak 30/10/2015

GwH 24 september 2015, arrest nr. 126/2015, rolnr. 6041

​Op 4 juli beviel S. van A., terwijl ze zwanger was, heeft zij erin toegestemd dat D. met wie zij als paar samenleefde het kind dat zij droeg, erkende, zodat A., de naam van D. draagt.

Bij dagvaarding van 4 juni 2014 vroeg de moeder de rechtbank van eerste aanleg te Namen om de erkenning van het kind te vernietigen, aangezien D. niet de biologische vader van A. is, en om te zeggen dat A. niet langer de naam van D. kan dragen.

Ter ondersteuning van haar vordering voerde zij aan dat zij, hoewel zij een paar vormde met D., intieme relaties had met een andere man dan D., en dat deze laatste, hoewel hij wist dat hij niet de biologische vader van A. was, haar voortdurend heeft bedreigd opdat zij zou aanvaarden dat hij A. erkende.

Op 17 maart 2014 heeft zij een klacht ingediend tegen D., omdat hij haar fysiek had lastiggevallen. Zij is dan ook van mening dat aan haar “toestemming” een gebrek kleefde. Zij beklemtoonde daarenboven dat D. nooit bezit van staat ten aanzien van A. heeft gehad, aangezien het paar na de geboorte uit elkaar is gegaan, en hij nooit heeft gevraagd om enige relatie met A. te onderhouden.

Aangezien de verweerder niet is verschenen, merkte de rechtbank van eerste aanleg te Namen (waarbij de zaak aanhangig werd gemaakt) op dat dat de vordering ontvankelijk was ratione temporis, omdat zij binnen de eenjarige termijn werd ingesteld, en dat er kennelijk bezit van staat was. M.b.t. het wilsgebrek stelde de verwijzende rechter vast dat de bewijslast bij de eisende partij lag, dat het dossier van S. “erg pover” was en dat zij niet vroeg om onderzoeken te verrichten. In de huidige stand van het recht is de moeder die in een leugenachtige erkenning heeft toegestemd, echter niet gerechtigd om die erkenning te betwisten, hetgeen de rechter verhinderde rekening te houden met de belangen van alle partijen, waaronder dat van het kind.

De verwijzende rechter stond stil bij de relevantie van de vereiste van het “wilsgebrek” en heeft ambtshalve beslist om het Hof een prejudiciële vraag te stellen.

Het Grondwettelijk Hof werd verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 330, §1, tweede lid BW met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM.

Grondwettelijk Hof

Zowel artikel 22bis, vierde lid van de Grondwet als artikel 3, lid 1 van het VRK verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het EHRM heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind primeren.

Hoewel het belang van het kind de eerste overweging dient te zijn, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het kind de zwakke partij is in de familiale relatie. Uit die bijzondere plaats volgt evenwel niet dat met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen geen rekening zou kunnen worden gehouden.

De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om de gevallen van betwisting van de erkenning van het vaderschap te beperken. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

Wanneer de betrokkene een kind erkent in de wetenschap dat er tussen hen geen biologische band bestaat of de moeder vrij toestemt in die erkenning waarvan zij weet dat zij leugenachtig is, is deze toestemming niet behept met een gebrek.

In die hypothese kon de wetgever er rekening mee houden dat de erkenner en de moeder vrij en weloverwogen hebben gehandeld.

De voorwaarden van ontvankelijkheid waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, geldt overigens niet in de gevallen waarin de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap zou zijn ingesteld door het erkende kind of door een andere man die het vaderschap van dat kind opeist. De wetgever maakt het in die gevallen de rechter dus mogelijk de grond van de betwisting van het vaderschap te onderzoeken en de belangen van de verschillende personen in concreto af te wegen.

De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Gebrek in de toestemming

De erkenner kan de vordering tot betwisting instellen als hij aantoont dat er een gebrek aan zijn toestemming kleefde (artikel 330, §1, tweede lid). Het is belangrijk dat het gebrek voldoende bewezen wordt, is dit niet het geval dan is de vordering tot betwisting alsnog onontvankelijk (Bergen 18 mei 1999, TBBR 2000, 618).

Indien de moeder vooraf haar instemming gegeven heeft aan de vaderlijke erkenning, kan zij deze instemming achteraf niet ongedaan maken door deze erkenning te betwisten. De enige mogelijkheid om ingeval van instemming toch een vordering tot betwisting in te stellen is het bewijs leveren van een gebrek dat kleefde aan deze instemming.

De moeder van het kind beschikt over een termijn van één jaar vanaf de ontdekking dat de erkenner niet de vader van het is. (G. VERSCHELDEN, “De moederlijke en de vaderlijke erkenning”, in P. SENAEVE, F. SWENNEN en G. VERSCHELDEN, De hervorming van het afstammingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2007 (87) 199. In bovenstaand geval wist de moeder dat de erkennende man niet de biologische vader van het kind was. Er kleefde geen gebrek aan haar instemming.

Auteur: Christine Melkebeek, vicevoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bron:

  • GwH 24 september 2015, arrest nr. 126/2015, rolnr. 6041

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be