Berisping van jongen die diefstal pleegde
Rechtspraak 27/11/2013

Jeugdrechtbank Brugge 2 oktober 2013, onuitg. nr. BG 17.98.9000752-11/3-B6

​De jeugrechter besluit een jongere die een groot aantal diefstallen pleegde, evensl terecht staat voor het toebrengen van slagen of verwondingen, een berisping te geven. De jongere werd intussen 18 jaar maar de feiten speelden zich af op de leeftijd van 14/15 jaar. Dat maakt dat de jeugdrechter besluit enkel jeugdbeschermingsmaatregelen te kunnen opleggen aan de jongere.

DE FEITEN

In deze zaak ging het om een jongen die zich voor de jeugdrechtbank diende te verantwoorden voor zijn betrokkenheid bij een reeks inbraken tussen 15 februari 2010 en 21 november 2010.

De jongen stond ook terecht voor het toebrengen van slagen of verwondingen met tijdelijke arbeidsongeschiktheid van het slachtoffer tot gevolgd.
Deze feiten zijn bijzonder ernstig en getuigen van weinig respect voor andermans eigendomsrecht. Diefstal kan binnen onze samenleving niet getolereerd worden. De jongen heeft door deze feiten te plegen blijk gegeven van een falend normen- en waardenbesef.

DE JEUGDRECHTBANK

De rechtbank is van oordeel dat een berisping aangewezen is om de jongere te wijzen op de ernst van de feiten rekening houdende met zijn persoonlijkheid zoals ook op de zitting is gebleken. Het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten doet hier geen afbreuk aan noch de omstandigheid dat de jongere zicht thans heeft herpakt. Dit laatste element valt wel als positief te beoordelen.

Hieraan kan toegevoegd worden dat het niet mogelijk is om in huidige stand van de wetgeving de jongere voor de inbraken en diefstallen een andere jeugdbeschermingsmaatregel dan een berisping op te leggen en dit niettegenstaande het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 mei 2012. De minderjarige was immers veertien en vijftien jaar op het ogenblik van deze feiten. In het arrest van het Grondwettelijk Hof wordt immers een vergelijking gemaakt tussen jongeren die strafbare feiten hebben gepleegd op de leeftijd van zestien jaar en op de leeftijd van zeventien jaar in functie van de mogelijkheid van uithandengeving (berechting overeenkomstig het “volwassen strafrecht”) versus het opleggen van jeugdbeschermingsmaatregelen wanneer zij na de leeftijd van achttien jaar voor de jeugdrechtbank worden gebracht. 

In deze zaak riskeert de jongen geen uithandengeving want hij was geen zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten.

UITSPRAAK

De jeugdrechtbank verklaart de tenlasteleggingen ten opzichte van de jongen bewezen en berispt hem voor het geheel van de feiten.

Auteur: Christine Melkebeek

Bronnen:

  • Jeugdrechtbank Brugge 2 oktober 2013, onuitg. nr. BG 17.98.9000752-11/3-B6.
  • Grondwettelijk Hof nr. 60/2012, Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) 2012, p. 544.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be