BELANG VAN HET KIND IN PROCEDURES TOT ONDERZOEK VADERSCHAP
Rechtspraak 08/04/2013

Grondwettelijk Hof 30/2013, 7 maart 2013

Bij een betwisting van het vaderschap waarbij de biologische vader verscheidene jaren na de geboorte van het kind het vaderschap van de echtgenoot van de moeder betwist, moet het belang van het kind voorop staan bij het bepalen van de ontvankelijkheid van de vordering. Het is niet voldoende dat de rechter slechts marginaal toetst aan het belang van het kind en de vordering enkel onontvankelijk verklaard als de vordering kennelijk tegenstrijdig is aan het belang van het kind.

De rechter moet in het afstammingsgeding de belangen van alle partijen in concreto tegen elkaar afwegen, waarbij aan de belangen van het kind het meeste gewicht moet worden gehecht.

DE FEITEN

Elza en Willy, de moeder en de juridische vader, van kind X dat in 2004 geboren werd, stelden cassatieberoep in tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 7 juni 2010.

Dit arrest verklaarde de door vader van X, Roger, op grond van art. 318 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vordering tot betwisting van vaderschap gegrond en dit na te hebben vastgesteld dat de partijen niet betwisten dat Roger de biologische vader van het kind is. De vordering tot betwisting van het vaderschap, ondanks het ononderbroken bezit van staat van het kind ten aanzien van Willy, werd niet onontvankelijk verklaard op grond van art. 318, §1, van het Burgerlijk Wetboek, wegens het onduidelijk karakter van het bezit van staat.

Het Hof van Beroep stelde vast dat zijn beslissing, krachtens art. 318, §5, van het Burgerlijk Wetboek, van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband ten aanzien van Roger met zich meebracht en beslistte, toepassing makend van art. 332quinquies Burgerlijk Wetboek, dat de vaststelling van die afstamming niet kennelijk strijdig is met de belangen van het kind, waarbij het Hof in dat opzicht ervan uitging dat de toetsing die het op grond van die bepaling dient uit te voeren een opportuniteitstoetsing is, die marginaal, dient te blijven.

Willy en Elza zijn van mening dat de in het geding zijnde bepaling, die de rechter enkel de mogelijkheid biedt om, wanneer de biologische vader verscheidene jaren na de geboorte van het kind aldus het vaderschap van de echtgenoot van de moeder betwist, op marginale wijze het belang van het kind in aanmerking te nemen, precies afbreuk doet aan de verplichting om in de eerste plaats het in concreto geanalyseerde belang van elk kind in aanmerking te nemen.

TOETSING AAN ARTIKEL 22 BIS VAN DE GRONDWET : BELANG VAN HET KIND PRIMORDIAAL

Het Hof van Cassatie heeft aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: "Schendt art. 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek artikel 22bis, vierde lid, Grondwet als het aldus wordt uitgelegd dat de rechter de belangen van het kind enkel marginaal moet toetsen? ".

Artikel 22bis van de Grondwet luidt als volgt : “Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan, met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in art. 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind".

Zowel art. 22bis, vierde lid, van de Grondwet als art. 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben.

Art. 22bis, vierde lid, van de Grondwet vereist echter dat kan worden onderzocht of dat belang in de eerste plaats verantwoordt dat een geconsolideerde afstamming van vaderszijde verscheidene jaren na de geboorte van het kind wordt vervangen door een andere afstamming, met alle gevolgen vandien. Een dergelijke beslissing zou slechts met het hogere belang van het kind in overeenstemming kunnen zijn indien zeer dwingende elementen zouden blijken uit diepgaande sociale of medisch-psychologische studies.

Hoewel het belang van het kind een primordiaal karakter heeft, heeft het echter daarom nog geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie. Die bijzondere plaats maakt het evenwel niet mogelijk om niet eveneens rekening te houden met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat door te bepalen dat de rechtbank de vordering slechts afwijst indien de vaststelling van de afstamming "kennelijk strijdig is met de belangen van het kind", art. 332quinquies, §2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de rechter slechts een marginale toetsing van het belang van het kind toestaat, art. 22bis, vierde lid, van de Grondwet schendt.

Auteur: Christine Melkebeek, ondervoorzitter Kinderrechtencoalitie Vlaanderen - Redactiesecretaris Actualiteit & Rechtspraak TJK

Bron

  • Grondwettelijk Hof 30/2013, 7 maart 2013, www.grondwettelijkhof.be
  • E. IGNOVSKA, G. VERSCHELDEN,"De rechterlijke toesting van het belang van het kind bij het onderzoek naar vaderschap", TJK/2, 2013,p. 155: "Het Grondwettelijk Hof is dus van oordeel dat de wettelijke marginale toetsing de belangen van het kind onvoldoende op het voorplan plaatst en dat de belangen van alle partijen in het afstammingsgeding in concreto tegen elkaar moeten worden afgewogen, waarbij aan de belangen van het kind het meeste gewicht moet worden gehecht. De stelling dat bij de afweging van het in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind uitermate belangrijk zijn, staaft het Grondwettelijk Hof met verwijzingen naar niet minder dan zeven arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Opmerkelijk is dat geen enkel van de geciteerde arresten van het EHRM handelt over een procedure tot onderzoek naar het vaderschap met betrekking tot een kind dat juridisch de echtgenoot van de moeder tot vader heeft, nochtans het type afstammingszaak dat de aanleiding was voor de prejudiciële vraag".
  • G. VERSCHELDEN, "Volle toetsing van belang van kind noodzakelijk bij vaderschapsonderzoek", De Juristenkrant 10 april 2013, 4-5.
  • Andere artikels op jeugdrecht.be over afstamming. Zie ook nieuwsberichten op jeugdenkinderrechten.be : Vaststelling afstamming: afnemen van een DNA-staal van een andere minderjarige afstammeling.(november 2012), Vaststelling dubbele afstammingsband moet ook mogelijk zijn in incestueuze relatie (september 2012), Vaststelling van vaderschap en toetsing aan het belang van het kind: anders voor een kind vanaf 1 jaar ? (mei 2012)


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be