Baby J: verkoop van een baby
Rechtspraak 18/06/2012

Rechtbank eerste aanleg Gent 14 mei 2012, GE.42.LA.91920/08/624, niet gepubliceerd.

​Feiten

Begin juli 2008 maakte de ambtenaar van de burgerlijke stand een geboorteakte op voor de geboorte van J. Het kind werd door de vader aangegeven. Enkele maanden na deze aangifte doet de administratief directeur van een ziekenhuis in Gent aangifte bij de lokale politie van Gent van een mogelijke ‘onderschuiving’ van dit kind. Uit het verslag van de hoofdvroedvrouw bleek dat in juli 2008 zich een vrouw op het verloskwartier aanbood voor een spoedbevalling. De dame was vergezeld van familieleden. Ze had geen identiteitspapieren bij noch een SIS-kaart. Wanneer er werd gevraagd naar haar identiteitsgegevens leek ze erg verward en gaf ze een andere naam op. De aanwezige arts en vroedvrouw weten de verwardheid aan de hevige weeën. 

De sociale dienst van het ziekenhuis kon de identiteit van de vrouw niet terugvinden in het rijksregister; uiteindelijk kon ze dan een "zorgpas" voorleggen. De dag na de bevalling wilde de vrouw plots vlug vertrekken. Er waren nog steeds twee dames bij haar die aangaven dat ze schoonzussen waren. Ze vertrokken in de namiddag na de geboorte. Het attest voor de geboorteaangifte werd meegegeven. De gegevens werden mondeling verkregen en gestaafd door de zorgpas.

Half oktober kreeg een hoofdvroedvrouw van het ziekenhuis dan een telefoontje van een Nederlands journalist van het programma "Netwerk", hij vroeg of er in het ziekenhuis een baby was geboren in juli 2008 en of het mogelijk was dat die baby nog dezelfde dag was doorgegeven aan een Nederlandse wensmoeder. Dezelfde journalist bezocht in november 2008 de materniteit en meldde zich bij de receptie aan met de vraag of daar een baby met de naam J was geboren. Hij had op een internetforum voor draag- en wensmoeders een verhaal gelezen van een zekere X die in een ziekenhuis in Gent aan een baby was geraakt die op de parking aan haar was doorgegeven op het moment dat de draagmoeder met haar baby was ontslagen uit het ziekenhuis.

Vordering Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie startte in november 2008 een gerechtelijk onderzoek naar de verdachte "draagmoeder", haar toenmalige partner (tevens de biologische vader van het kind), de moeder van de "draagmoeder", en de Nederlandse wensouders.

In december 2008 droegen de Nederlandse autoriteiten het kind over aan België. Het Openbaar Ministerie vorderde daarop de jeugdrechter om maatregelen ter bescherming van het kind te nemen. Er werd een strafonderzoek gevoerd naar de feiten en de biologische ouders dienden zich voor de strafrechter te verantwoorden.

Prejudicieel geschil afstamming

Voordat de strafrechtbank uitspraak kon doen, moest eerst de afstamming van het kind vaststaan. Art. 331, § 2 Strafwetboek bepaalt dat telkens als de afstamming wordt betwist, de strafrechtbanken en de andere gerechten eerst uitspraak kunnen doen, nadat de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg omtrent de staat, in kracht van gewijsde is getreden. Wanneer er in de strafprocedure discussie ontstaat over de daadwerkelijke afstamming van een kind, rijst met andere woorden een prejudicieel geschil waarover eerst de burgerlijke rechtbank uitspraak moet doen, alvorens de strafprocedure kan worden verder gezet. In deze zaak besliste de burgerlijke rechtbank op 24 december 2009 (A.R., nr. 09/1913/A), dat het Nederlands koppel niet de ouders zijn van J.

Vonnis

De rechtbank meende dat een onderschuiving van een kind tegen betaling, zoals het zich hier voordeed, niet anders kan worden gezien dan als een commercieel draagmoederschap en de verkoop van dat kind. Dergelijke handeling tast de menselijke waardigheid van het kind aan en moet juridisch worden gekwalificeerd als een onterende behandeling van een kind (art. 417 bis, 3° Strafwetboek). In dit vonnis wordt expliciet verwezen naar art. 7 en 35 van het IVRK en het Facultatief Protocol van 25 mei 2000 inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie.

De rechter is niet blind voor de omstandigheden waarin deze feiten zich hebben afgespeeld. De vader en moeder bevonden zich in financiële moeilijkheden. Zij zagen de zorg voor een tweede kind niet zitten en vonden een oplossing in de gepleegde feiten. Bovendien kan men zich ook de vraag stellen of het kind gebaat zou zijn met een al te strenge bestraffing van zijn (groot)ouders. Aan de andere kant kan de rechtbank er niet om heen dat het om zeer ernstige- en maatschappelijk verwerpelijke - feiten gaat. Tenslotte is er de onomkeerbare schade die werd toegebracht aan de belangen van het kind. Het kind werd geplaatst en de mogelijkheid ontnomen om op te groeien in een normale gezinstoestand. Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat in de verre toekomst J onwetend zal blijven over de omstandigheden van zijn geboorte. Dit zal hem zonder twijfel opzadelen met een aantal zeer pijnlijke existentiële vragen.

Op strafrechtelijk gebied worden de moeder en vader veroordeeld tot gevangenisstraffen van 1 jaar en een geldboete. De grootmoeder krijgt een gevangenisstraf van 8 maanden en een geldboete. Op burgerrechtelijk gebied worden alle beklaagden veroordeeld tot het betalen van een vergoeding met voorbehoud van nog niet-vaststelbare gevolgen van de gepleegde misdrijven op het gedrag en persoonlijkheid van J.

Het draagmoederschap is in België niet wettelijk geregeld maar de commerciële handel in kinderen kan simpelweg niet worden getolereerd.

Auteur: Christine Melkebeek, DCI Vlaanderen

Bronnen:

  • Rechtbank eerste aanleg Gent 14 mei 2012, GE.42.LA.91920/08/624, niet gepubliceerd.

    Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend, Gent (Jeugdkamer) 30 april 2012, noot L. PLUYM, 

  •  "Weigering volle adoptie na commercieel laagtechnologisch draagmoederschap", TJK 2012/3, 260-                  269.  


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be