Afstamming- vordering tot onderzoek vaderschap – verjaringstermijn 30 jaar - art. 331ter BW – schending
GwH 17 oktober 2019,  arrest nr. 142/2019, rolnr. 6928.

Vordering van het kind tot onderzoek naar het vaderschap

In casu diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken over de prejudiciële vraag of het art. 331ter BW, art. 22 van de Grondwet en art. 8 van het EVRM schendt, in zoverre het de verjaringstermijn van de vordering van een kind inzake het onderzoek naar het vaderschap (art. 332 BW) vaststelt op 30 jaar. Waarbij deze termijn wordt geschorst tijdens de minderjarigheid van het kind.

Hierdoor wordt volgens de verwijzende rechter het kind de mogelijkheid ontzegd om zowel zijn biologische oorsprong als zijn afstamming van vaderszijde te kennen. Terwijl het kind, inzake de betwisting van het vaderschap, voortaan in rechte kan treden zonder enig beletstel van verjaring van zijn vordering.

Betwisting vaderschap blijft onderworpen aan gemeenrechtelijke termijn art. 331ter BW

De verwijzende rechter steunde zich in deze op het arrest van het GwH van 3 februari 2016 (arrest nr. 18/2016). In dit arrest oordeelde het Hof dat artikel 318, § 2, BW artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM, schendt in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen.

De verwijzende rechter leek volgens het Hof uit dit arrest af te leiden dat de vordering tot betwisting van het vaderschap, ten aanzien van het kind, niet langer aan verjaring onderworpen is. Op basis van die vaststelling stelde hij het Hof een vraag over de grondwettigheid van de dertigjarige verjaringstermijn die op de vordering tot onderzoek naar het vaderschap van toepassing is.

Art. 331 ter BW schendt art. 22 Gw

Het Hof oordeelde dat de keuze  van de wetgever om het aanvangspunt van de verjaringstermijn te leggen op het ogenblik dat het kind de meerderjarigheid bereikt, tot gevolg heeft dat aan diegene die de identiteit van zijn vermeende vader na het verstrijken van deze termijn verneemt, een vordering tot onderzoek naar het vaderschap wordt ontzegd.

Art.  331ter van het BW schendt artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM.

Bronnen:

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be