Actuele wetgeving 2017 deel 1
Rechtspraak 01/02/2017

a) Dubbele naam bij onenigheid of uitblijven naamkeuze

Deze wet heeft tot doel de default-regeling voor de toekenning van de naam in overeenstemming te brengen met het arrest nr. 2/2016 van 14 januari 2016 van het Grondwettelijk Hof. Dit arrest had het wettelijk stelsel in geval van afwezigheid van keuze door de ouders of in geval van onenigheid tussen de ouders hierover vernietigd maar de gevolgen ervan behouden tot 31 december 2016. Ingevolge het nieuwe stelsel zal het kind, indien de ouders er niet in slagen overeen te komen over de keuze van de aan het kind toe te kennen naam of als ze geen keuze wensen te maken, de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde krijgen. Indien één of beide ouders een dubbele naam dragen, zullen zij kunnen kiezen welke naam ze doorgeven. Indien ze niet kiezen zal het deel van de naam van de ouder dat wordt doorgegeven ook bepaald worden door de alfabetische volgorde. Om geen nieuwe vorm van ongelijkheid te creëren, werd een gelijkaardige regeling voorzien voor de moeder en de meemoeder.


Er is ook een overgangsbepaling: “Artikel 4, § 1. Indien het kind de naam van de vader draagt wegens onenigheid of afwezigheid van keuze van zijn ouders, met toepassing van artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin BW, zoals ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014, en dat vernietigd werd bij het arrest nr. 2/2016 van het Grondwettelijk Hof, maar waarvan de gevolgen door hetzelfde arrest behouden bleven tot 31 december 2016, kan de moeder of de vader, bij verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand die wordt afgelegd voor 1 juli 2017, ten gunste van de na 31 mei 2014 geboren gemeenschappelijke minderjarige kinderen en onder voorbehoud dat zij geen gemeenschappelijke meerderjarige kinderen hebben op de dag van deze aanvraag, vragen hen de dubbele naam toe te kennen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

Indien het kind de naam van de meemoeder draagt wegens onenigheid of afwezigheid van keuze van zijn ouders, met toepassing van artikel 335ter, § 1, tweede lid, derde zin, BW zoals ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2014 voor de vervanging ervan bij deze wet, kan de moeder of de meemoeder, bij verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand die wordt afgelegd voor 1 juli 2017, ten gunste van de na 31 mei 2014 geboren gemeenschappelijke minderjarige kinderen en onder voorbehoud dat zij geen gemeenschappelijke meerderjarige kinderen hebben op de dag van deze aanvraag, vragen hen de dubbele naam toe te kennen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

Indien het kind is ingeschreven in de consulaire bevolkingsregisters bedoeld in hoofdstuk 8 van het Consulair Wetboek, wordt de verklaring afgelegd bij het hoofd van de consulaire beroepspost waar het ingeschreven is. De toegekende naam wordt vermeld in de rand van de akte van geboorte en van de andere akten betreffende het kind”.

Deze wet trad in werking op 1 januari 2017.

- Omzendbrief
Deze omzendbrief wil nieuwe instructies geven aan de wijze waarop de keuze voor de naam van de vader, van de moeder of van de meemoeder moet worden vastgesteld en over de nieuwe regeling van toekenning van de naam in geval van onenigheid tussen de ouders en van weigering door de ouders om een keuze te maken. Voor een goed begrip worden in deze omzendbrief onder “ouders” ook de “meeouders” verstaan.

Bronnen:

  • Wet van 25 december 2016 tot wijziging van de artikelen 335 en 335ter van het Burgerlijk Wetboek betreffende de naamsoverdracht aan het kind, BS 30 december 2016, 91961.
  • GwH 14 januari 2016, arrest nr. 2/2016, rolnr. 6053 en 6098, zie noot onder dit arrest, A. D’ESPALLIER, “Het kind moet een naam hebben”, TJK 2016/2, 166-172.
  • Omzendbrief van 27 december 2016 betreffende de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de artikelen 335 en 335ter van het Burgerlijk Wetboek betreffende de wijze van naamsoverdracht aan het kind, BS 30 december 2016, 92159.

b) Contactverbod met minderjarigen bij vrijheid onder voorwaarden altijd in centraal strafregister (artikel 106 Potpourri IV)


Een contactverbod met minderjarigen dat door de onderzoekrechter wordt opgelegd in het kader van een invrijheidsstelling onder voorwaarden, moet altijd vermeld worden in het Centraal Strafregister. Nu gebeurt dat alleen wanneer de betrokkene geen woon-of verblijfplaats heeft in ons land.

Hoofdstuk 13 van de vierde Potpourri-wet trad op 9 januari 2017 in werking.

Bronnen:

  • Wet van 25 december 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 30 december 2015, 91963.
  • L. LEMMENS, “Contactverbod met minderjarigen bij vrijheid onder voorwaarden altijd in Centraal Strafregister (artikel 106 Potpourri IV), Legal World 19 januari 2017.

c) Sociaal en fiscaal statuut “student-zelfstandigen”


Deze wet voorziet in een specifiek statuut inzake sociale bijdragen voor de studenten die in België een zelfstandige activiteit uitoefenen. De wet definieert de studenten die deze specifieke sociale bijdragenregeling kunnen genieten. Het gaat om de studenten van 18 tot 25 jaar die studenten zijn in hoofdzaak, die regelmatig de lessen volgen en die, parallel ermee, een zelfstandige activiteit uitoefenen.

De wet voorziet dat de studenten-zelfstandigen die een inkomen als zelfstandige verwerven dat een bepaald plafondbedrag overschrijdt, dit specifieke statuut echter niet kunnen genieten. De wet voorziet daarentegen dat ze het kunnen genieten en dat ze geen enkele sociale bijdrage zijn verschuldigd wanneer hun inkomen lager is dan een bepaalde inkomensdrempel (de helft van het plafondbedrag) en dat ze een verminderde sociale bijdrage zijn verschuldigd wanneer hun inkomen deze drempel overschrijdt. Die verminderde bijdrage wordt enkel berekend op het gedeelte van het inkomen dat deze drempel overschrijdt (zonder het plafondbedrag te bereiken). Op fiscaal vlak worden de inkomsten van een student-zelfstandige en de inkomsten van een leerling in een alternerende opleiding vanaf aanslagjaar 2018 gelijkgeschakeld met de inkomsten van een jobstudent om het bedrag van de bestaansmiddelen te bepalen: de eerste schijf van 1 500 euro (te indexeren basisbedrag) van dergelijke inkomsten wordt buiten beschouwing gelaten.

Deze wet trad in werking op 1 januari 2017.

Bronnen:

  • Wet van 18 december 2016 tot vaststelling van het sociaal en fiscaal statuut van de student-zelfstandigen, BS 30 december 2016, 91946.
  • KB van 22 december 2016 tot wijziging van het KB van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het KB nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, BS 10 januari 2017, 1087. Dit besluit trad in werking op 1 januari 2017.
  • KB van 22 december 2016, wat het sociaal statuut van de student-zelfstandige betreft, tot wijziging van het KB van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, BS 10 januari 2017, 1090. Dit besluit trad in werking op 1 januari 2017.

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be