Arbeidshof – leefloon aan asielzoeker in gemeenschapshuis
Rechtspraak 02/02/2017

Arbeidshof Brussel 10 november 2016, rolnr. 2015/AB/1130.

​De feiten

X kwam als niet begeleide minderjarige asielzoeker naar België in 2011. Op 25 september 2014, op de leeftijd van 18 jaar, werd hem de subsidiaire beschermingsstatus toegekend. Het gevolg daarvan was dat hij de opvangstructuur van Fedasil diende te verlaten. Daarna verbleef hij in een kerk te Brussel. Daar werd hij, volgens zijn verklaringen, gecontacteerd door een dame die hem een huurovereenkomst aanbood voor een kamer te L. tegen € 400 per maand. Hij werd ingeschreven in L. op het adres van de verhuurder. Op dit adres waren nog zes andere personen ingeschreven die zich in dezelfde situatie bevonden als X en er een kamer betrokken.

Aanvraag leefloon & installatiepremie bij OCMW

Op 12 maart 2015 vroeg X bij het OCMW te L. een equivalent leefloon aan, samen met een installatiepremie, een financiële steun voor de betaling van de eerste maand huur en een huurwaarborg. Hij legde een huurovereenkomst voor die melding maakte van een verblijf met een kamer, een badkamer en een keuken. In het kader van een huisbezoek stelde het OCMW vast dat X slechts één kamer in de woning betrok, die nauwelijks ingericht was. Hij had geen aparte badkamer of keuken zoals in het contract voorzien was, maar moest keuken en badkamer delen met andere bewoners.

Afwijzing aanvraag financiële steun & installatiepremie door OCMW

Bij beslissing van 13 april 2015 heeft het OCMW te L. de aanvraag tot financiële steun afgewezen. De afwijzing van de financiële steun steunde hierop dat uit het huisbezoek bleek dat de heer X samenwoonde met andere personen. Vermits hij geen bewijzen van inkomsten van de andere medebewoners bezorgde kon, aldus de beslissing, geen grondig sociaal onderzoek naar de behoeftigheid ingesteld worden. De installatiepremie werd om dezelfde redenen geweigerd. De huurwaarborg en de betaling van de eerste maand huur werden geweigerd omdat het huurcontract niet overeenstemde met de werkelijke vaststellingen tijdens het huisbezoek.

Arbeidsrechtbank Brussel

Bij verzoekschrift van 10 juli 2015 betwistte X deze beslissing voor de arbeidsrechtbank te Brussel. De arbeidsrechter verklaarde de vordering gedeeltelijk gegrond. De bestreden beslissing werd vernietigd en X werd een financiële steun toegekend, gelijk aan het leefloon voor een alleenstaande persoon, voor de periode van 12 maart 2015 tot en met 7 augustus 2015 evenals een installatiepremie. De vorderingen in verband met de huurwaarborg en de eerste maand werden afgewezen. De beperking van de financiële steun tot en met augustus 2015 hield verband met de vaststelling dat X zijn gemeente L. had verlaten en vanaf 8 augustus 2015 financiële steun kreeg van het OCMW te A.

Hoger Beroep – Arbeidshof Brussel

Bij verzoekschrift van 11 december 2015 stelde het OCMW te L. beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. X tekende incidenteel beroep in, maar enkel met betrekking tot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Zoals de eerste rechter terecht opmerkte kon er in de voorliggende betwisting niet op ernstige wijze voorgehouden worden dat X een “gezin” vormde met de andere inwoners van het pand. X had met de verhuurder een afzonderlijke huurovereenkomst afgesloten, die sloeg op de huur van een kamer, een badkamer en een keuken. X had, voor hij zijn intrek nam in het pand, geen enkel contact of geen enkele band met de andere bewoners van het pand die hij zelf niet eens kende. Er was ook geen “gemeenschappelijk” gebruik van badkamer en keuken. Al de bewoners van het huis werden verplicht dezelfde keuken en badkamer te gebruiken, zonder dat zulks steunde op een onderlinge afspraak. De omstandigheid dat soms maaltijden gedeeld werden of dat  X soms voedingswaren uit de frigo kon gebruiken, wezen niet op enige vorm van gezinsverband.

Het Hof stelde dat het merkwaardig was dat het OCMW te L. aan X vroeg informatie te bezorgen over de financiële inkomsten van de andere bewoners van het huis, wat hij niet kon doen. In de besluiten werd immers aangegeven dat ook de andere bewoners van het huis vroeger een financiële steun hadden aangevraagd, en ter zitting werd vermeld dat deze financiële steun werd geweigerd. Het OCMW te L. moest derhalve beter geïnformeerd zijn over het inkomen van de andere bewoners dan X.

De financiële steun kon dan ook in geen enkel geval geweigerd worden op grond van het feit dat X een “gezin” vormde met andere bewoners van het pand en rekening moest gehouden worden met de inkomens van de andere bewoners.

Vermits de verschillende bewoners van het pand een aparte huurovereenkomst hadden met de eigenaar van het pand (al dan niet schriftelijk), is niet voldaan aan de voorwaarde om onder eenzelfde dak te wonen. Evenmin werd voldaan aan de voorwaarde dat de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk geregeld werden. Alleen stond vast dat de verschillende huurders eenzelfde badkamer en keuken (2 keukens) dienden te delen, en eventueel ook gebruik mocht maken van een gemeenschappelijke woonplaats.

Een dergelijke situatie is volledig vergelijkbaar met deze van een studentenhome, waarin verschillende studenten een kamer huren en in beperkte mate gebruik kunnen maken van gemeenschappelijke voorzieningen. Uit niets bleek dat de facto de verschillende bewoners van het huis – die elkaar vooraf niet kenden – op één of andere manier beslist hadden om hun inkomen gedeeltelijk (en hoofdzakelijk) aan te wenden om een gezamenlijk huishouden te voeren.

Samenwoning

Opdat er sprake zou kunnen zijn van een samenwoning in de zin van artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 is overigens vereist dat de persoon, met wie “samengewoond” wordt, op enige wijze kan bijdragen in de lasten van het huishouden en zijn aanwezigheid voor de samenwonende enig economisch financieel voordeel opbrengt (Cass. 4 december 2013, J.T.T. 2014, 75; Cass. 21 november 2011, J.T.T. 2012, 113). De personen met wie X “samenwoonde” bevonden zich in precies dezelfde situatie als hijzelf. Het waren asielzoekers aan wie het OCMW te L. iedere vorm van financiële steun ontzegd had en die dus niet konden bijdragen in de kosten van een gemeenschappelijke huishouding.

Het arbeidshof stelde dat de eerste rechter terecht het OCMW te L. had veroordeeld tot toekenning van een financiële steun gelijk aan het leefloon voor een alleenstaande. Op dezelfde gronden had een installatiepremie dienen toegekend te worden.

X vorderde in zijn verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank niet alleen de vernietiging van de bestreden administratieve beslissing, maar ook de toekenning van het bedrag van het leefloon voor een alleenstaande, verhoogd met de installatiepremie, de financiële hulp voor de eerste maand huur en de toekenning van een huurwaarborg. De vordering was aldus in geld waardeerbaar overeenkomstig artikel 2 § 1 KB 26 oktober 2007 houdende de vaststelling van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Het staat vast dat de waarde van de gestelde vordering het bedrag van € 2500 te boven gaat. De eerste rechter had de rechtsplegingsvergoeding van € 240,25 moeten toekennen. Het incidenteel beroep was dan ook gegrond.

Het hoofdberoep was ontvankelijk doch ongegrond, het bestreden vonnis werd bevestigd.

Auteur: Christine Melkebeek, voorzitter ad interim Kinderrechtencoalitie Vlaanderen

Bronnen:

  • Arbeidshof Brussel 10 november 2016, rolnr. 2015/AB/1130.


Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be