2018-01 Instemming met de jeugdhulp door wettelijke vertegenwoordigers

De 14-jarige Laura meldt zich samen met haar moeder aan bij het CGG. Laura voelt zich al een tijdje helemaal niet goed in haar vel en haar moeder vreest dat ze een eetstoornis ontwikkelt. Laura zou graag therapie krijgen. Probleem is dat haar vader die al 5 jaar gescheiden is van haar moeder, geen problemen ziet en niet akkoord zal gaan met de opstart van therapie.

Na een zware vechtscheiding krijgt de mama van de 7-jarige Cassem grote problemen met haar zoon. Cassem gehoorzaamt niet meer, zet een grote mond op, doet altijd zijn eigen zin. Zijn mama klopt hiervoor aan bij een thuisbegeleidingsdienst maar stelt al meteen dat ze niet wil dat Cassems papa op de hoogte gebracht wordt van haar hulpvraag. Ze is bang dat hij dit zou gebruiken om een nieuwe procedure te starten om het exclusieve ouderlijk gezag op te eisen over Cassem.

De 5-jarige Robbe verloor deze zomer zijn beide ouders door een zwaar verkeersongeval. Hij wordt momenteel opgevangen in het gezin van zijn tante. Deze tante startte reeds de procedure om als voogd aangesteld te worden maar aangezien er nog een familielid is die het voogdijschap opeist, kan het wel even duren vooraleer er uiteindelijk een voogd wordt aangeduid. De tante wil echter zo snel mogelijk ambulante begeleiding voor Robbe laten opstarten en stelt zich de vraag of zij dit wel kan aanvragen?

 

INLEIDING

Of het aan de wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen (ouders of voogd), of aan de minderjarigen zelf toekomt om (mee) in te stemmen met de jeugdhulp ( lees over instemming van de minderjarige: 2018-01 Instemming met de jeugdhulp door minderjarigen), of niet, is in grote mate afhankelijk van de (on)bekwaamheid van de minderjarigen.


DE UITOEFENING VAN HET (OUDERLIJK) GEZAG OVER DE MINDERJARIGE

Het Belgisch Burgerlijk Wetboek (B.W.) voert een beschermingsstatuut in voor minderjarigen: 


Enerzijds stelt het B.W. dat minderjarigen handelingsonbekwaam zijn, waardoor ze in principe geen handelingen kunnen stellen die juridische gevolgen met zich meebrengen. We zien de voorbije jaren wel steeds meer uitzonderingen opduiken die het mogelijk maken dat minderjarigen toch bepaalde juridische beslissingen zelfstandig kunnen nemen. Momenteel bestaan er 2 regelgevingen die een belangrijke uitzondering voorzien op de algemene onbekwaamheid van minderjarigen: het Decreet Rechtspositie van de Minderjarige in de integrale jeugdhulp (DRM) en de Wet Patiëntenrechten (W.P.). Meer informatie over de minderjarige patiënt vind je in dit artikel : 2017-02 (on)bekwaamheid van minderjarige patiënten.

 

Anderzijds stelt het Burgerlijk Wetboek dat minderjarigen moeten vertegenwoordigd worden in het rechtsverkeer door hun wettelijke vertegenwoordigers (ouders of voogd). Minderjarigen moeten immers, gelet op hun jeugdigheid en hiermee gepaard gaande gebrek aan inzicht, kennis en ervaring, in hun belang beschermd worden. De wetgever voorziet daarom ook dat minderjarigen tot ze meerderjarig worden onder het (ouderlijk) gezag van hun ouders of voogd vallen: Meer informatie hierover lees je in volgend artikel: 2005-12 De vertegenwoordiging van een minderjarige: ouders en voogden.

 

1. Gezagsco-ouderschap of de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag

Zolang kinderen minderjarig zijn, oefenen hun juridische ouders in principe samen het ouderlijk gezag over hen uit. Hierbij maakt het niet uit of ouders samenleven of niet, getrouwd zijn of niet, of gescheiden. Dit heet co-ouderschap of ook wel gezagsco-ouderschap.
Strikt genomen zou co-ouderschap betekenen dat ouders steeds samen moeten optreden wanneer er beslissingen genomen worden over hun minderjarige kinderen.
De wetgever voorzag voor derden ter goeder trouw echter in een vermoeden dat zij er mogen van uitgaan dat elke beslissing genomen, of elke handeling gesteld door één ouder, gebeurde mét medeweten en toestemming van de andere ouder, ook wanneer ouders gescheiden zijn of niet samenleven. Enkel wanneer derden weten dat er op een bepaald gebied onenigheid is tussen ouders, of wanneer ze ernstige redenen hebben om te twijfelen aan de instemming van beide ouders, vervalt dit vermoeden en hebben zij toch de expliciete toestemming van elke ouder nodig. Of indien dit niet mogelijk is, een bewijs van een uitspraak van de rechter dat zegt dat ze mogen handelen zonder de toestemming van één ouder.

 

2. Exclusief ouderlijk gezag

Enkel de familierechter kan beslissen om af te wijken van het wettelijk principe van gezagsco-ouderschap door het ouderlijk gezag aan één ouder toe te kennen. De ouder met het exclusief ouderlijk gezag kan vanaf dat moment alle beslissingen ten aanzien van de minderjarige kinderen alleen nemen. De andere ouder behoudt in dat geval wél het recht op persoonlijk contact met zijn of haar kinderen, alsook het recht om toezicht uit te oefenen op de opvoeding die de kinderen krijgen en het recht op informatie over de kinderen.

 

3. Andere vormen van verdeling van het ouderlijk gezag

Er komen ook nog een aantal tussenvormen voor waarbij er gezagsco-ouderschap is, maar aan één ouder toch het recht wordt toegekend om alle beslissingen met betrekking tot een bepaald aspect van de opvoeding van de kinderen (bijvoorbeeld onderwijs, hulpverlening, gezondheid, religie,…) alleen te nemen; of waarbij er sprake is van exclusief ouderlijk gezag maar de rechter toch voorziet dat bepaalde beslissingen door de beide ouders samen moeten genomen worden.

 

4. De voogdij over de minderjarige

Pas wanneer er géén ouders bekend zijn, in leven zijn, of in staat zijn om het ouderlijk gezag uit te oefenen over een minderjarige, valt de voogdij open. De vrederechter zal dan een voogd aanduiden die vanaf dat moment het (voogdij)gezag over de minderjarige zal uitoefenen en o.a. alle belangrijke beslissingen over de minderjarige zal nemen. Meer hierover lees je in : 2016-08 Gewone voogdij : wanneer ?

 

DECREET RECHTSPOSITIE VAN DE MINDERJARIGE IN DE INTEGRALE JEUGDHULP (DRM)


Het DRM somt alle rechten op van minderjarigen die jeugdhulp krijgen binnen de integrale jeugdhulp.

Zo stelt art. 8 DRM dat minderjarigen het recht hebben om geïnformeerd vrij in te stemmen met de buitengerechtelijke jeugdhulp of om die te weigeren. ( lees ook : 2018-01 Instemming met de jeugdhulp door minderjarigen. )

Art. 4 DRM stelt dat minderjarige cliënten o.a. het recht om in te stemmen met de jeugdhulp pas zelfstandig mogen uitoefenen op voorwaarde dat ze tot een redelijke beoordeling van hun belangen in staat zijn, en dus wilsbekwaam zijn. Het DRM hanteert hierbij het vermoeden dat minderjarigen van 12 jaar of ouder, bekwaam zijn. In een concrete situatie kan het wel gebeuren dat een hulpverlener de bekwaamheid van een minderjarige anders inschat. Dit kan mits grondige motivatie in het hulpverleningsdossier van de minderjarige. Het is immers de betrokken hulpverlener die, in dialoog met de minderjarige en zijn ouders, uiteindelijk oordeelt of een minderjarige al dan niet bekwaam is. Deze inschatting hoeft trouwens niet doorheen het hele hulpverleningstraject dezelfde te zijn en blijven. Op een bepaald moment, of voor bepaalde beslissingen kan een minderjarige als bekwaam worden ingeschat, op een ander moment of voor andere beslissingen niet,...

 

Wanneer de minderjarige onbekwaam is, zullen zijn wettelijke vertegenwoordigers (ouders of voogd) geïnformeerd moeten instemmen alvorens buitengerechtelijke jeugdhulp verleend kan worden (voor meer uitgebreide informatie over het 'informed consent' zie de bijdrage over de instemming met de jeugdhulp door minderjarigen):

 

1. In principe zullen beide juridische ouders samen moeten instemmen met de buitengerechtelijke  jeugdhulp wanneer hun minderjarige kind onbekwaam is.

2. Wanneer er maar één ouder bekend is, in leven is, of in staat is om het ouderlijk gezag uit te oefenen over de minderjarige; of wanneer één ouder het exclusieve ouderlijk gezag werd toegekend door de rechter, volstaat de instemming van deze ene ouder. Dit is ook het geval wanneer een jeugdhulpverlener beroep doet op het wettelijke vermoeden dat stelt dat derden ter goeder trouw er mogen van uitgaan dat één ouder handelt met toestemming van de andere ouder.


3. Daarnaast bestaan er binnen de integrale jeugdhulp nog enkele uitzonderlijke situaties waarbij, met uitdrukkelijke motivatie, kan afgeweken worden van de nood aan de instemming van beide ouders:

- Er is geen relevant contact meer tussen de minderjarige en één van zijn ouders. (Richtinggevend is geen contact meer gedurende één jaar).

- Een ouder kan niet bereikt worden omdat hij of zij bv. onvindbaar is.

- Het gaat om een hulpvraag waarbij de minderjarige niet uit huis wordt geplaatst én er geen impact is op de relatie tussen het kind en de andere ouder (bijvoorbeeld thuisbegeleiding bij één van beide ouders thuis). Men kan in dit geval art. 6 van het decreet IJH (zie verder) zo interpreteren dat deze hulpverlening zich niet richt tot de andere ouder.

 

4. Wanneer geen van beide ouders het ouderlijk gezag kan uitoefenen over de onbekwame minderjarige, zal de voogd die aangeduid werd door de vrederechter moeten instemmen met de buitengerechtelijke jeugdhulp. 

Merk op: Er wordt aangenomen dat er wel reeds jeugdhulp kan aangevraagd (bv. door een opvoedingsverantwoordelijke) en eventueel opgestart worden in de periode vóór de voogd wordt aangeduid als de hulpverlening dringend noodzakelijk is.

 

DECREET INTEGRALE JEUGDHULP (DECREET IJH)

 

Sinds 2013 stelt artikel 6 van het het decreet integrale jeugdhulp dat om buitengerechtelijke jeugdhulp te bieden de instemming nodig is van iedereen tot wie de jeugdhulp zich richt.

Hierdoor zal de instemming van de bekwame minderjarige vaak niet voldoende zijn om buitengerechtelijke jeugdhulp te kunnen bieden. Wanneer jeugdhulp dermate ingrijpend is dat ze ook een uitwerking kent naar de wettelijke vertegenwoordigers (ouders of voogd) van de bekwame minderjarige, of in voorkomend geval naar zijn opvoedingsverantwoordelijken, zullen ook deze laatsten moeten instemmen voor er buitengerechtelijke jeugdhulp kan geboden worden. ( lees ook : 2018-01 Instemming met de jeugdhulp door opvoedingsverantwoordelijken.)

Enkel wanneer de buitengerechtelijke jeugdhulp zich alleen naar de bekwame minderjarige richt, zal zijn instemming dus voldoende zijn om aan de slag te kunnen gaan.

 

Het komt er in de praktijk op neer dat wilsbekwame minderjarigen zelfstandig kunnen instemmen met de buitengerechtelijke jeugdhulp aangeboden door het JAC, door het CLB, en meestal ook door het CGG. De instemming van hun wettelijke vertegenwoordigers (ouders of voogd) is in dat geval niet nodig.
Wilsbekwame minderjarigen moeten daarenboven ook instemmen met alle andere buitengerechtelijke jeugdhulp bv. een langdurige begeleiding, residentiële jeugdhulp, jeugdhulp die geboden wordt na tussenkomst van de intersectorale toegangspoort (ITP),... Maar bij deze laatste vormen van jeugdhulp is ook de instemming van hun wettelijke vertegenwoordigers (ouders of voogd), of in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken nodig.

 

HET BEROEPSGEHEIM T.A.V. MINDERJARIGEN IN DE JEUGDHULP

Het beroepsgeheim van hulpverleners en gezondheidswerkers is ook van toepassing t.a.v. minderjarige cliënten en patiënten. Men mag hun vertrouwelijke informatie niet zomaar delen met derden. Onder toepassing van het ouderlijk gezag hebben ouders het recht om fundamentele opvoedingsbeslissingen te nemen over hun minderjarige kinderen. Beide ouders hebben nood aan, én in principe ook recht op informatie over hun minderjarige kinderen om goede beslissingen te kunnen nemen (tenzij dit uitdrukkelijk anders vermeld staat in een authentieke akte (een gerechtelijk vonnis of een notariële akte).  

Alleen binnen de integrale jeugdhulp, en binnen de gezondheidszorg wordt hierop een uitzondering gemaakt wanneer wilsbekwame minderjarigen zelfstandig beslissingen mogen nemen over hun jeugdhulp of gezondheidszorg. Dan hebben ouders (of voogd) geen nood aan informatie om beslissingen te nemen in de plaats van hun minderjarige kinderen en geldt het beroepsgeheim tegenover ouders van bekwame minderjarige cliënten in de integrale jeugdhulp en bekwame minderjarige patiënten op dezelfde manier als voor meerderjarigen. Met dezelfde uitzonderingen zoals bv. de noodtoestand.

Wanneer ouders (of voogd) van bekwame minderjarigen onder toepassing van art. 6 decreet IJH echter mee moeten beslissen over de jeugdhulp die zich ook tot hen richt, zullen zij uiteraard bepaalde informatie moeten krijgen om kwaliteitsvolle beslissingen te kunnen nemen.


CASUSOPLOSSING

De medewerkers van het CGG passen art. 4 DRM toe en schatten Laura dus als bekwaam in. Er van uitgaande dat de buitengerechtelijke jeugdhulp die Laura vraagt zich alleen tot haar richt, volstaat haar instemming om therapie op te starten. De instemming van haar vader (en moeder) is in dat geval niet nodig.


Cassem is met zijn 7 jaar onbekwaam. En om buitengerechtelijke jeugdhulp te bieden aan een onbekwame minderjarige, is in principe de instemming van beide ouders nodig.
Binnen de integrale jeugdhulp bestaan echter enkele uitzonderlijke situaties waarbij mits uitdrukkelijke motivatie kan afgeweken worden van de nood aan de instemming van beide ouders. Bv. wanneer het gaat om een hulpvraag waarbij de minderjarige niet uit huis wordt geplaatst én er geen impact is op de relatie tussen het kind en de andere ouder. Er kan dus op vraag van Cassems moeder eventueel thuisbegeleiding opgestart worden bij haar thuis.
De vader van Cassem heeft echter ook in deze situatie recht op informatie over zijn onbekwame, minderjarige zoon wanneer hij hierom vraagt. De jeugdhulpverlener moet de vader wel niet noodzakelijk actief gaan informeren maar kan dus niet garanderen dat de vader geen kennis zal krijgen over de thuisbegeleiding. Men gaat hierover best in gesprek met de moeder. Des te meer omdat Cassem in een erg moeilijke positie terechtkomt wanneer zijn moeder verwacht dat hij niet over de jeugdhulp praat met zijn vader.

 

Aangezien Robbe onbekwaam is, kan buitengerechtelijke jeugdhulp in principe alleen opgestart worden op vraag of met de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordigers. Nu zijn ouders beiden overleden zijn, zou dit dus moeten gebeuren door zijn voogd. Er wordt wel aangenomen dat er reeds jeugdhulp kan aangevraagd en eventueel opgestart worden in de periode vóór de voogd wordt aangeduid als de hulpverlening dringend noodzakelijk is. Gezien de omstandigheden kan Robbes tante dus wel degelijk jeugdhulp aanvragen voor haar neefje.

 

Auteur : Nele Desmet, tZitemzo vzw


Bronnen 

  • Decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp (DRM), B.S. 4 oktober 2004.
  • Decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp (decreet IJH), B.S. 13 september 2013.
  • DEPARTEMENT WVG, Richtinggevend kader voor het omgaan met instemming van minderjarigen en ouders in de integrale jeugdhulp, 2016,
  • KINDERRECHTSWINKEL, Werkmap. 'Aan de slag met het decreet rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.', Fiche 'recht op instemming, informatie en duidelijke communicatie', Brussel, Departement WVG, 2014.
  • KINDERRECHTSWINKEL, 't Zitemzo Jeugdrecht… met het beroepsgeheim ten aanzien van minderjarigen, (Informatiefiche voor professionelen), 2012
  • www.rechtspositie.be

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van Steunpunt Jeugdhulp en Steunpunt Algemeen Welzijnswerk

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be