2008-01 Ouderlijk gezag en omgangsrecht, twee verschillende juridische begrippen

Aline loopt school in het derde leerjaar. Haar ouders zijn vorig jaar gescheiden. Ze woont nu bij haar mama, en verblijft één weekend om de 14 dagen bij haar papa. Op een avond na schooltijd staat papa Aline aan de schoolpoort op te wachten, en hij zegt haar dat ze met hem mee naar huis kan. De directrice van de school is hier echter niet mee akkoord. Ze toont vader een kopie van de beslissing van de rechtbank waar de omgangsregeling in wordt beschreven. Zolang de directrice mama niet kan bereiken moet Aline, samen met haar papa, wachten. Is dit correct van de directrice?

Ouderlijk gezag en omgangsregeling

Termen als hoederecht, ouderlijk gezag en co-ouderschap worden vaak door elkaar gebruikt, zonder dat de juiste betekenis hiervan gekend is. Wordt met co-ouderschap de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag bedoeld, of het feit dat de kinderen beurtelings een week bij vader en bij moeder verblijven?

Ook de termen ouderlijk gezag en omgangsregeling worden vaak als synoniemen gebruikt terwijl het om twee verschillende juridische begrippen gaat. Onderstaand artikel poogt wat licht te brengen in de duisternis.

Het principe: de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag

Het ouderlijk gezag omvat een geheel van verschillende bevoegdheden die ouders kunnen laten gelden ten aanzien van hun minderjarige kinderen.

Inhoudelijk kan het ouderlijk gezag worden opgedeeld in 4 categorieën:

  • de ouderlijke bevoegdheden i.v.m. de staat van de persoon van de minderjarige (bv. het instemmen met een huwelijk, verzoek tot verandering van naam, etc.)

  • het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de minderjarige (bv. beslissingen i.v.m.geloof, schoolkeuze) 

  • het recht op persoonlijk contact

  • het vruchtgenot van de goederen

Vóór de wetswijziging van 13 april 1995 werd de uitoefening van het ouderlijk gezag, wanneer de ouders niet samenleefden, slechts aan één van hen toegewezen. De ouder bij wie het kind feitelijk verbleef, en die dus het “materiële bewaringsrecht” uitoefende, oefende ook het ouderlijk gezag over het kind uit. Het samengaan van het ouderlijk gezag en dit materiële bewaringsrecht werd het “hoederecht” genoemd. Aan de andere ouder kon dan een “bezoekrecht” met het kind worden toegekend.

Sinds de wet van 13 april 1995 werd een nieuw basissysteem van ouderschap ingevoerd, waarbij ouders het ouderlijk gezag niet langer afzonderlijk maar in beginsel verplicht gezamenlijk uitoefenen, ook wanneer zij niet samenwonen (art. 373 en 374 B.W.)

Het beginsel van de principiële gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag wordt geduid met de algemene term “co-ouderschap”. Meer specifiek heeft men het over “gezagsco-ouderschap”, nu men wil benadrukken dat ouders steeds gezamenlijk moeten beslissen over het wel en wee van hun kind. De term hoederecht heeft in het huidige systeem elke betekenis verloren en werd ook afgeschaft door de wet van 1995, nu het ouderlijk gezag in beginsel door beide ouders samen wordt uitgeoefend. Aangezien beide ouders ook wanneer ze niet meer samenwonen recht hebben op omgang met hun kind, zal er een regeling betreffende de huisvesting van het kind, “de verblijfsregeling” moeten worden uitgewerkt, hetzij door partijen zelf, hetzij door de rechter in het kader van voorlopige maatregelen bij echtelijke moeilijkheden en in echtscheidingssituaties.

De uitzondering: de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag door één van beide ouders

De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag heeft slechts kans op slagen indien er tussen de ouders een minimale eensgezindheid bestaat omtrent de huisvesting en de opvoeding van het kind. Als dit niet het geval is, kan één van de ouders zich tot de rechtbank wenden met de vraag de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend aan hem of haar op te dragen.

Indien de ouders het niet eens raken over slechts één aspect van de opvoeding, zoals bijvoorbeeld de schoolkeuze kan de rechter beslissen over dat aspect een uitspraak te doen, terwijl voor het overige het ouderlijk gezag verder door beide ouders gezamenlijk zal worden uitgeoefend.

Indien de rechter toch de “exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag” aan één van beide ouders opdraagt, kan hij bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding nog door beide ouders samen moeten worden genomen.

Wanneer de rechter hieromtrent niets bepaalt, oefent de ouder aan wie de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag is opgedragen alle aspecten van het ouderlijk gezag alleen uit.

De ouder aan wie in bovenvermeld geval de uitoefening van het ouderlijk gezag werd ontnomen, wordt niet helemaal buitenspel gezet. Deze ouder heeft het recht “toezicht” uit te oefenen op de opvoeding van zijn kind en hieromtrent informatie in te winnen bij iedereen die met zijn kind contact heeft.

Wanneer deze ouder van mening is dat de belangen van het kind manifest worden geschaad, heeft hij de mogelijkheid van beroep bij de (jeugd)rechtbank tegen de handelingen en beslissingen van de ouder aan wie de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag is opgedragen (art. 374, 4e lid B.W.)

Bovendien heeft de ouder die het ouderlijk gezag over het kind niet uitoefent een “recht op persoonlijk contact” met zijn kind, dat door de rechter wordt vastgelegd. Dit recht op persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen aan de ouder worden geweigerd (art. 374, 4e lid B.W.).

De verblijfsregeling

Ook al oefenen ouders principieel gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kind uit, toch zal een regeling moeten worden uitgewerkt over waar het kind wanneer zal verblijven. Een kind kan ook maar op één adres worden ingeschreven. Zo moet de rechter conform art. 374 B.W. in elk geval de wijze bepalen waarop het kind gehuisvest wordt, en dient hij tevens de plaats te bepalen waar het kind in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf

Wanneer beide ouders samen het ouderlijk gezag uitoefenen, spreekt men over een “verblijfsregeling”. Wanneer slechts één van beide ouders het ouderlijk gezag over het kind uitoefent, omdat de rechter de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag aan één van beide ouders heeft toevertrouwd, heeft de andere ouder een “recht op persoonlijk contact” die wordt geconcretiseerd in een “omgangsregeling”.

Ongeacht wat de feitelijke tijdsbesteding van de minderjarige met zijn ouders is, heeft het kind zijn “hoofdverblijf” op het adres waar hij wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het “secundair verblijf” bevindt zich dan bij de andere ouder.

In principe kunnen de ouders, wanneer zij hierover een akkoord bereiken, de verblijfsregeling tussen hen en hun kinderen vrij invullen. Wordt deze overeenkomst echter ter homologatie voorgelegd aan de jeugdrechtbank (of aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het kader van een echtscheidingsprocedure) , dan zal het Openbaar Ministerie een adviserende functie vervullen. De jeugdrechter zou bijgevolg de door de ouders voorgestelde omgangsregeling kunnen weigeren omdat hij van mening is dat de omgangsregeling niet is opgemaakt in het belang van het kind.

Er bestaan verschillende modellen van verblijfsregelingen, met elk een specifieke terminologie.

Eerst en vooral is er de “klassieke verblijfsregeling”. Een klassieke verblijfsregeling houdt in dat het kind zijn hoofdverblijf heeft bij één ouder (in het verleden vooral de moeder), en één weekend om de veertien dagen en de helft van alle schoolvakanties bij de andere ouder verblijft.

Deze regeling wordt klassiek genoemd omdat zij vooral in het verleden de norm was.

Een “verblijfsco-ouderschap”, met name de regeling dat de kinderen beurtelings een week bij vader en bij moeder verblijven, was de uitzondering. Concreet betekent verblijfsco-ouderschap dat de kinderen beurtelings een week bij vader en een week bij moeder verblijven. Dit wordt ook de “bilocatie-regeling”, de “week-week regeling” of het “tweeverblijf” genoemd.

De rechter beoordeelt, naargelang de situatie van de kinderen en de ouders, welke verblijfsregeling de voorkeur geniet.

Op vandaag is de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind, realiteit. (B.S. 4 september 2006)

Wanneer de ouders niet tot een overeenkomst over de verblijfsregeling van de kinderen komen, moet de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid voor verblijfsco-ouderschap onderzoeken. De rechter kan pas deze mogelijkheid onderzoeken wanneer ouders het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenen. Voor meer toelichting over deze wet lees je het artikel '2007-06 Het verblijfsco-ouderschap of de nieuwe wet op het tweeverblijf'.


Casusoplossing

De ouders van Aline oefenen samen het ouderlijk gezag over haar uit. Aline heeft haar hoofdverblijf bij moeder en verblijft één weekend om de veertien dagen bij vader. De rechter heeft geopteerd voor een “klassieke verblijfsregeling”. De directrice stelt terecht dat moeder eerst toelating moet geven om met vader mee te gaan. De verblijfsregeling die de rechter heeft opgelegd moet worden nageleefd ook al oefenen beide ouders samen het ouderlijk gezag over haar uit. Natuurlijk staat het de ouders vrij van deze verblijfsregeling, in onderling overleg, af te wijken.​

 

Auteur: Sofie Van Rumst, Jurist Steunpunt Jeugdhulp

Bronnen:

  • SENAEVE, P., Compendium van het Personen-en Familierecht, Leuven, Acco, 2004

Over Jeugdrecht.be

Jeugdrecht.be is een initiatief van SAM, steunpunt Mens en Samenleving

Gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid

Contactgegevens:

jeugdrecht@samvzw.be

Copyright Jeugdrecht.be